Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Darde tooneel.

Asrinoë, Laodise, Nicomedes, Attalus, Cleone.

Nicomedes. 'k Verzoek dat gy den Prins, uw Zoon, wilt beter leeren, Mevrouw: geef hem bericht wien hy in my moet eeren. Want, my niet kennende, treed hy geheel misnoegd Vervoerd van 't spoor af, dat zo groot een ziel niet voegt. Arsinoë. Gy zyt dan hier, Prins? Nicomedes. Ja, Mevrouw, 'k ben hier gekomen, En Methrobates meê.

Arsinoë. Is 't waarheid? of zyn 't droomen? Hoe! Methrobates, die verraader? Nicomedes. Maar 'k verstond Geenszins iets, dat u kan verwond'ren, uit zyn mond. Arsinoë. Wat mag doch de oorzaak van uw schielyke aankomst wezen? En 't oorlogsleger? Nicomedes. Dat is veilig, buiten vreezen. 'k Gaf d' Onderveldheer daar zo lang van 't krygsgebied. En wat myn komst belangt, toen ik van 't Hof trok, liet Ik hier myn Meester en Meestres noch vry van laagen: Maar, 'k moet de dood van d' een beschreijen en beklaagen, Veroorzaakt of door uw of der Romeinen haat, En de ander koome ik voor alle overlast en kwaad, Waar meê zy word van hen en u gedreigt, behoeden. Arsinoë. Dit 's dan de reden, die uw komst ten hoof deê spoeden? Nicomedes. O ja, Mevrouw; de hoop dat gy, in deezen stand, My by den Koning zult aanbiên uw hulp en hand. Arsinoë. Verwacht die naar uw hoop. Nicomedes. 'k Verzeker my, met reden, Van uw genegenheid. Arsinoë. Ik zal u die noch heden Doen zien, zo maar de Vorst is met my eens van zin. Nicomedes. Gy zult die gunst doen aan ons beide, Koningin?

Arsinoë. Stel u gerust; ik zal aanspannen al myn krachten. Nicomedes. Ik ken uw goeden wil: dit moogt ge ook van my wachten. Attalus. tegen Arsinoë. Is dit myn Broeder? Nicomedes. Ja, ik ben 't, en koom alleen Hier zien, of ik voor u moet wyken, tegen reên? Attalus. Verschoon my, Heer, zo ik, door onkunde aangedreeven, Uw achting. . . . Nicomedes. Prins, wil my een Medevryër geeven Met meer verdiensten; en zyt ge om die plaats bereid Te twisten, staak geenszins deeze edelmoedigheid. Maar, nu ik hier tot haar bescherming ben gekomen, Bedreig haar nooit weêr met den Koning, noch met Romen. Ik zal haar, zonder hulp verdeedigen; doe gy Dit ook, met al 't ontzagh haar schuldig, van uw zy. 'k Wil met het recht, dat my natuur gaf, en haar wetten, De magt, die 'k over u verkreeg, ter zyde zetten; Om eens te zien wie ons volmaakter heeft geleert, Hoe dat men moedig van zyn vyand triomfeert, De groote Hannibal, in 't oorlogsschool ervaaren, Of Romen, daar gy hebt versleeten uwe jaaren. Vaar wel; en denk daar op: ik geeven u hier toe tyd.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove