Zesde tooneel.
Wenseslaus, Ladislaus, Frederik, Lyfwacht.
Wenseslaus, tegen Frederik. O Held, wiens kracht my van den Hemel is beschooren Tot glory van myn Ryk! kom, eisch nu, voor uw daân, 't Verdiende loon, en wil my van myn woord ontslaan; Dat woord, daar myn gezagh en eer aan is verbonden.
Ontdek my 't voorwerp van uw vlam, en minnewonden. Geniet den prys, dien 'k u ben door myn deugd verpligt: Beproef die: stel haar met uw dienst in evenwigt. Uw liefde hoeft niet meer voor 's Prinsen haat te vreezen. De reden heeft hem van uw vyandschap geneezen: Hy geeft zyn vriendschap u, verlichtende uwen druk: Daar hy u onrecht deê, pleit hy voor uw geluk. Ladislaus, ter zyde. Myn Medeminnaar zal dan eind'lyk zegepraalen! O Hemel! kan ik myn geduld wel meer bepaalen? Frederik. 't Loon dat ik voor myn daân van uwe gunst begeer, Is aan 't geluk, 't welk ik stel in uw dienst, myn Heer, Zo vast verbonden, dat men nimmer die zal kunnen Myn onvertsaagden moed ontrukken, of misgunnen. Maak, door den prys, dien gy my door uw hand aanbied, Van een beroemde daad het werk eens huurlings niet. De eer dat myn arm voor u grootmoedig heeft gevochten Is duizend stryden waard, en duizend oorlogstogten. Wenseslaus. Hoe weinig dat ik ook ben schuldig aan de kracht, Van uw manhaften arm, alom zo hoog geächt, Te veel is't als 't uw Vorst kan tot uw Schuld'naar maaken. Uw hart dat weig'rig is in weêrwil van zyn blaaken, Begeert van my te veel als 't van my niets begeert, Uw dienst verachtende, dien 'k wil dat gy waardeert. Laat ons, door uwe daân en myn belooning, scheiden De magt van Onderzaat, en Vorst; om, door 't verbreiden Van uw verdienste, en myn erkenning, yder een Te noopen om met moed uw voorbeeld na te treên. Frederik. Ontsteek geen vuur, dat gy daar na zoud willen dooven. Zy, die ik dien', gaat myn verdiensten ver te boven.
Ik ben niet waardig zulk een heerelyke vlam, Die verontwaardig' haar verdiensten, staat, en stam. Wenseslaus. Wat Schoonheid zoude u niet haar liefde waardig achten? Daar is geen staat zo groot, of gy moogt daar naar trachten. Ik zal het voorwerp van uw smart en minnepyn Voor u beweegen, of ik zal geen Koning zyn. Ladislaus, ter zyde. O Hemel! kan myn min gedoogen en aanschouwen, Dat myn Meestres zal met myn Medeminnaar trouwen? Frederik. Ik kan uw wil niet meer weerstreeven. Ladislaus, ter zyde. Neen, ô neen! 'k Gedoog dit nooit. Frederik. Helaas! waar voert de min my heen? Ik vrees, voldoende uw last, met my aan u te ontdekken, Dat die gehoorzaamheid uw gramschap zal verwekken. Het voorwerp, dat myn ziel zo teder heeft gewond. . . . Ladislaus. Zwyg, zwyg. Myn minnenyd sluit u noch eens den mond. Ik kan niet langer uw vermeetelheid gedoogen. Wenseslaus. Baldaadige. . . . . Ladislaus. 'k Heb, voor myn rust, al myn vermoogen Vergeefs in 't werk gestelt, en uit myn hart en zin. Verbannen vruchteloos myn onweêrstaanb're min, Om zyn vermeetelheid geduldig te verdraagen; Doch meest, om dat ik u niet langer zou mishaagen. Myn pligt stryd met myn min: maar, ach! zy kan niet meer. Ik volg myn drift, volg gy uw gramschap. Ja, myn Heer,
Wil, zo wel Meester van u zelf als van uw staaten, De liefde eens Vaders voor een trotsen Zoon verlaaten. Verkort myn leevensloop; 'k wacht van u hand myn straf. Neem, neem my 't bloed, dat ik van u ontfing, weêr af; Of zo gy noch dit hoofd tracht voor de kroon te spaaren, Wil dan dien trotse, als hy zyn eisch zal openbaaren, Grootmoedig afslaan, en zyn stoute hovaardy Zo laag verneed'ren als hy hoog klom boven my; Of hy zal haast zyn dood, voor zynen wensch, erlangen.
Cookies on Poetry Cove