Laatste tooneel.
Wenseslaus, Ladislaus, Theodora, Kassandra, Frederik, Izabelle, Octavius, Lyfwacht.
Ladislaus. Door welk een groot geluk . . . . Wenseslaus. Staa op, Prins. Deeze kroon, Die 'k wil dat zonder vlek zal blyven even schoon, Is 't eenigst middel 't geen behouden moet uw leeven. Ik kan onmoogelyk de misdaad u vergeeven, En u behoeden voor den dood, zo lang ze my Zal toebehooren met het recht der heerschappy. Uw hoofd moet vallen, of gekroond zyn: 'k moet u straffen, En aan uw Broeders bloed gerechte wraak verschaffen; Of stellen 't koninglyk gebied in uwe hand; Dit wenscht de Staat en 't hof. 't Gemeen, in deezen stand, Eischt met uw leeven, dat ik niet meer zal regeeren: 't Komt uw vergiff'nis, met myn kroon, gelyk begeeren; Want zy, die willen dat ik onrechtvaardig 't kwaad Zal zonder straf gerust aanschouwen in myn Staat, Die willen langer niet myn ryksbestier gedoogen. 't Gerecht is de eerste steun van 't opperste vermoogen, En voor de Vorsten een Vorstin van alle deugd. Regeer hier door den Staat in d'opgang van uw jeugd. 'k Heb recht daar toe, dat ik, in deeze hooge jaaren, De kroon neem van myn hoofd, en die zette op uw hairen. Dus geeve ik u, myn Zoon, een Vader met myn Ryk. Ladislaus. Wat 's dit, rechtvaardig Vorst? en welk een edel blyk . . . Wenseslaus. Dien naam behoudende, kan ik u niet behouwen. 'k Wil zulk een staat niet meer bezitten, noch aanschouwen,
Die my uw Rechter maakt. 'k Gedenk daar aan met pyn. Weest gy dan Koning, Prins, en ik zal Vader zyn. O welk een voordeel voelt myn ziel door dit verkiezen! Om u te houden zal ik slechts een naam verliezen. De gantsche Staat, het Hof, en 't volk in 't algemeen, De Hartog, zelfs Kassandre, uw Zusters bang geween, Begeeren dat ik u genade zal betoonen; En 't muitend volk dwingt my dat ik u zal verschoonen. Ja, Freedrik eischt dit zelfs voor 't loon van zyne daân. Nu 't yder wil zal ik 't niet langer tegenstaan. Een Zoon is my meer waard dan scepter, kroon en staaten, Die, 'k zonder moeilykheid, met blydschap, kan verlaaten, Om 't leeven hem noch eens te schenken in den nood. Ladislaus. Zo gy, verlossende my van een wreeden dood, Niet kunt myn Vader en myn Vorst zyn, als voor deezen, Kan ik, dan, stellende u de wet, uw Kind wel wezen? 'k Verwerp met reden dan deeze aangebooden kroon. Verlaat veel liever my, myn Vader, dan uw troon. Wenseslaus. 'k Begeer dien nimmer weêr: hy kan my niet bekooren: Want zonder dit sieraad zo is uw hoofd verlooren. Ladislaus. Dit koninglyk sieraad, daar alle glans voor zwicht, Zal ik voor eeuwig uw genade zyn verpligt. 'k Behouw de kroon, doch om uw wetten uit te deelen. 'k Zal Koning zyn in naam, en volgen uw beveelen, Gelyk een onderdaan, die steeds u eeren zal. Hy omhelst den Hartog. Door welk een groot geluk, en onbekend geval, Heer Hartog, heb ik van uw edelmoedigheden, Uw trouw en dapperheid, genooten, buiten reden, De zorg die gy voor myn verlossing hebt getoont? Hoe kan uw deugd genoeg geroemd zyn en geloond?
Frederik. 'k Heb loons genoeg, nu gy het leeven houd, ontfangen. 'k Verzoek, ô Vorst! dat gy een bede aan myn verlangen, Is 't moog'lyk, toe moogt staan. Ladislaus. Wat eischt gy? Frederik. Uw verlof, Op dat ik mag terstond vertrekken van dit hof, Om uw bedekten haat op my niet meer te voeden; Haat, die myn diep ontzagh met een verkeerd vermoeden Heeft aangeschouwt, en 't vuur . . . . Ladislaus. Neen, Frederik, ô neen! Gy zyt uw zorg den Staat verschuldigt als voorheen. Ik stel des Prinsen twist als Koning, uit myn zinnen. Zoude ik rampzalig dus myn Ryksgebied beginnen? En my berooven van zo sterk een Staatspylaar, Die Poolen heeft gered in allerley gevaar, Door welkers krygsgeluk het onze eerst is begonnen, En al 's Ryks vyanden bevredigd, of verwonnen, Daar elk den bliksem van zyne oogen tracht te ontgaan, Ja, gantsch Europe vreest, en bied den vrede ons aan? En wilt gy, met u zelf, myn Staat dien stut onttrekken? Wat zoude uw afzyn my al ongeluk verwekken! Myn eenigste geluk is dat gy blyft, en de eer Strekt van myn kroon, die 'k niet zo hoog als u waardeer; En mogt uw zin met myn verkiezing evenaaren, Ik zou, door 't huw'lykslot, u met myn Zuster paaren, Om onze vriendschap, tot meer glory van myn land, Gantsch onverbreekelyk te maaken door dien band. Frederik. Ik zou vergeefs, myn Heer, naar zulk een huw'lyk wenschen,
Waar door ik zyn zou de gelukkigste aller menschen, Na dat haar schoone mond, door een gestrenge wet, De eer van haar dienst my heeft verbooden en belet. Theodora. 'k Zou u beveelen 't vuur van uwe min te dooven, Myn Heer; maar 's Konings wil gaat mynen ver te boven, Die myn bevel verbreekt, nu hy my aan u geeft. Frederik. Dit hart, dat weêr op nieuw, door zo veel gunst, herleeft, Word van den zelfden mond, die 't kwetste, in 't eind geneezen. 'k Zie, na een donk'ren nacht van wanhoop, weêr verreezen Den dag van hoop en vreugd, daar 't goddelyke licht Van uw aanminnig en bekoorelyk gezicht Reeds schept een hemel in myn ziel, nu 'k opgetoogen My zelf naauw ken, en sterf van blydschap voor uwe oogen. Tegen Ladislaus. Myn Heer, dit is de prys, daar myn vermeetelheid Zo lang heeft naar getracht, voor 't loon my toegezeid. Gy, die myn keur als Prins belette, geeft als Koning My, tegens alle hoop, 't beminde tot belooning. Gedoog, Mevrouw . . .Tegen Theodora. Theodora. Rys, Prins. Ladislaus, tegen Kassandra. 'k Ontfing, om u alleen, De kroon en 't leeven, die 'k met alle eerbiedigheên, U opdraag, en ik wil veel liever rustig sterven, Dan dat ik leeven zou en uwe liefde derven. Kassandra. Hoe! daar myn Minnaar door uw woede wierd vermoord, Die Minnaar, door wiens deugd ik teder was bekoort, En na wiens dood dat ik onmoogelyk kan leeven, Is 't my niet moogelyk om deeze hand te geeven
Aan de uwe, rookende van dat beminde bloed, Wiens weêrschyn heden noch verwekt een rooden gloed In myn verbaasd gelaat. Wenseslaus. Wil onder nieuwe wetten 't Voorledene ongelyk vergeeten en verzetten. Verkeer uw haat, nu hy geen Prins meer is, in min. Daar 'k u een Koning geef, geef ons een Koningin. Kassandra. Ik kan, die Weduw des Vermoorden ben, nooit trouwen Den Moorder, zonder schand'. Neen, 't zou my eeuwig rouwen Dat ik . . . . . Wenseslaus. De tyd . . . . Kassandra. De tyd verlicht my nooit van druk. Ladislaus. Laat toe, ten minsten, dat ik hoop op dit geluk, En dat myn traanen, myn gebeden, onder 't minnen, In arbeid gaan, om eens te maaken dat uw zinnen Gevoelig worden van myn klagten, druk en pyn, Tot dat uw liefde zal de prys der myne zyn. Wenseslaus, tegen Ladislaus. Laat ons den Lykpligt aan uw Broeder gaan volbrengen, En onze traanen op zyn graf voor 't laatste plengen; My troostende in zyn dood, als ik in u, myn Zoon, Zal zien een waardigen Bezitter van den troon.
Einde van het Vyfde en Laatste Bedryf.
MDCLXXXVI.
Cookies on Poetry Cove