Tweede tooneel.
Prusias, Arsinoë, Nicomedes, Araspes, Lyfwacht.
Arsinoë. Genade, ô Vorst! ach! geef genade, op myn gebeden, Aan dees ons eenigsten Beschermer: geef genaâ Aan dien doorluchtingen Verwinnaar: slaa, ei! slaa Op hem, op hem, myn Heer, uw medelydende oogen. Genaâ! Nicomedes. Waar toe? Om dat ik won, door myn vermoogen, Drie Scepters, die my, voor den nyd van uwen Zoon, Gevaar doen loopen? Of zal die my zyn tot loon, Om dat ik Asië deê voor uw wapens vreezen, Waar door een schroom zelfs in uw Romen is gereezen, Gebelgd, om dat myn arm handhaaft de Majesteit Der Koningen? Of is 't om dat myn dapperheid Uw hof vervult heeft met de glory van myn daaden, En my van Hannibals grondregels laaten raaden? Doch, zo 'k genade moet verzoeken, 'k bid u, trekt Hier uit myn schuld: 'k heb al myn misdaân u ontdekt, En voegt gy noch hier by, dat ik te licht myn zinnen Liet van twee Schelmen, daar toe omgekocht verwinnen; Dat sproot uit de eed'le deugd van openhartigheid, Die al te oprecht was, om te zien hoe 'k wierd misleid. Dit kan my niet tot schand', maar eer, zyn aangewreeven, Gewoon in 't leger, en ver van uw hof te leeven; My, die alleen my op myn eigen deugd verlaat, Geen knaaging hebbende, noch vrees voor 't boos verraad. Arsinoë, tegen Prusias. 'k Herroep, myn Heer, al 't geen dat ik u kwam te ontdekken.
Hy 's niet strafschuldig, zo hy zocht myn eer te vlekken: Hy volgde blindeling, den haat, die in 't gemeen Het hart van zyns gelyk ophitste, tegen reên, Om een Stiefmoeder te verdelgen: ingenoomen Met zulk een afkeer, wil hy op myn hoofd doen koomen De straf van zyn misdryf. Indien dat Hannibal, Op een gewaande vrees, bevordert zelf zyn val, Zich liever willende aan zyn wanhoop overgeeven, Dan op ons gastvryrecht betrouwen; en zyn leeven Verwoed verkort, is door myn toedoen dit geschied. Wat schoonheid dat hy zelf in Laodise ziet, Ik ben 't, die Attalus haar ook zo schoon deed vinden, En die gantsch Romen tot zyn bystand kan verbinden: Myn hand doet alles. Doch, indien hy hier door tracht Te wreeken 's Meesters dood, en zyn Meestres met kracht Voor hem te houden, van zyn minnenyd bewoogen, Verschoont men 't licht; te meer, wyl my zyn driftig poogen In 't minst niet deert, en dat myn schuld alleen hier in Bestaat, dat ik ben uw geliefde Gemaalin. Die naam maakt dat hy my vervolgt met zo veel laagen: 'k Weet, buiten dit niets, daar hy zich van kan beklaagen. Heb ik niet in die vyf paar jaaren, dat hy heeft Als Opperveldheer 't heir bestiert, alleen geleeft, Om zyn doorluchten naam alom te laaten hooren? En als hy, en zyn eer, scheen zekerlyk verlooren, Door het vertoeven van de hulp, hem toegezeid, Wie was aan 't Hof, die meer met yver en beleid, Dan ik, u preste, om geld en krygsvolk hem te zenden? Gy weet het; en, tot loon dat ik, in zyn elenden, Hem diende zo getrouw, kwetste hy my in myne eer. Maar men verschoont heel licht dit in een Minnaar, Heer, Gelyk ik meermaals u voor oogen kwam te leggen.
Prusias. Ondankb're, spreek: hebt gy hier tegen iets te zeggen? Nicomedes. Ja, dat de goedheid en de gunst der Koningin My maakt verwonderd en verbaast van hart en zin. 'k Zwyg van de hulp, daar zy van spreekt, aan my gegeeven, Waar door dat ik behield my vryheid, eer en leeven: En 't geen zy zet zo hoog in top, heeft anders geen Belang gehad, dan slechts om, door myn arm, alleen Haar zoon, Prins Attalus, in top van staat te trekken. Men kan heel licht hier uit, wat zy beöogde, ontdekken, En van wat geest dat zy beheerscht word, tot myn leed. Ik laat den Hemel, welke al haar gedachten weet, Hier van oordeelen, die de wenschen en gebeden, Waar meê dat zy voor myn belangen heeft gestreeden, Best kent: Hy zal aan haar ook recht doen, en wil licht Ons beide, en oop'nen uw benevelde gezicht. Doch, nu de Koningin uw gunst voor my komt smeeken, Zo dien ik, op myn beurt, ook wel voor haar te spreeken, En u te erinneren dat gy, tot haare smaad, Twee Schelmen ongestraft te lang in 't leeven laat. Men breng' die beiden straks ter dood. Deeze offerhande Verwacht haar eer van u, tot zuiv'ring van haar schande. Zy hebben beiden haar beticht, en zo zy 't weêr Herroepen hebben, tot haar onschuld, 't was de eer Te kwetsten van uw Zoon. Maar niets kan hen bevryden: Zy zullen hunnen dood niet onrechtvaardig lyden. De smaad en hoon, die de eer van ons gelyken voelt, Eischt bloed, waar in men 't vuur van eed'le gramschap koelt. Het helpt hen niet dat zy 't bedrog ten halze inhaalen: Een zwaare dood moet hun verraadery betaalen, Of 't Vorstelyk Geslacht word steeds ten doel gestelt Van zulke Schelmen, en hun openbaar geweld;
En onze leevens in de waagschaal van hun loogen, Zo gy die Lasteraars wilt ongestraft gedoogen. Arsinoë. Myn Heer, wat 's dit? Hoe! hen te straffen, om dat zy Me ontschuldigen, en u de snoô verraadery, Die Nicomedes op myn eer had en myn leeven, Ontdekken, en aan u een Gemaalin weêr geeven, My hoedende in 't gevaar, en u van dat gy niet Een vonnis velde tegen my, tot uw verdriet? Tegen Nicomedes. Prins, uit een yver tot myn dienst, hier na te trachten, Is niet zo listig om te ontveinzen uw gedachten. Prusias, tegen Nicomedes. Laat Metrobates hier onäangeroerd, en zoek Uw naam te zuiv'ren van die schandvlek, waard elks vloek. Nicomedes. Vorst, zoude ik hier myn naam van zuiv'ren? Heeft dit reden? Gy weet, als iemand, van myn staat, heeft overtreeden, Dat hy veel trotser word, en aan een gruw'lyk kwaad Zich schuldig kennen moet, zo hy zich hier in laat Geleiden tot dien pligt, of tracht zyn staat en leeven In de armen van 't gezagh te bergen. 't Volk te geeven Verlichting, 't heir tot hulp te voeren der Vorstin, Die van u word verdrukt; en haar, ten spyt der min Van Attalus, 't geweld der Roomsche dwingelanden, En uwe moogendheid, te rukken uit uw handen; Met kracht van wapens te veröveren uw Staat, En al 't Romeinsch geweld, daar gy u op verlaat; Ja, u, alleen niet met uw heir, maar met de benden Van gantsch Armenië te vallen in de lenden, Kon zulk een man, gelyk als ik ben, licht bestaan, Zo hy wou trouw'loos eer en pligt te buiten gaan. Neen, neen, deeze euveldaân zyn anders niet gebooren Dan in lafhartigen, welke alle schaamt' verlooren;
Meest vallende ten deel aan 't vrouwelyk geslacht. Straf Metrobates dan en Zeno, door uw magt, Om uwe Gemaalin, of my. 't Gemoed, verbeeten Van naberouw snik des leevens. Als men staat Om reek'ning aan de Goôn te geeven van het kwaad, Dan zal men voor 't gezagh der menschen niet meer schroomen: Want deze Schelmen, als zy zien haar eind' gekoomen, Herroepen licht noch eens 't getuigde. Arsinoë, tegen Prusias. Maar, myn Heer. . . . Nicomedes. Spreek, spreek, Mevrouw; en zeg, wat reden vond gy weêr, Om hen van straf, die zy verdienden, te verschoonen? Of laat ten minsten toe dat we uw gedachten toonen. Gy zyt bevreesd of zy, in 't nypen van den nood, Door wroeging, mogten iets ontdekken, voor hun dood, Dat u beschaamen zou. Arsinoë. Nu ziet gy, voor uwe oogen, Hoe fel de haat is, die zyn hart heeft ingezoogen. Als ik hem tracht by u te ontschuldigen, zo maakt Hy my misdaadig, daar zyn drift zyn pligt verzaakt. Licht dat myn byzyn hem verbittert, en zyn zinnen, In myn afwezen, door de rust, op nieuw herwinnen De reden, die hem voor een tweede schuld bevry'. Ik eisch geenszins van u dat gy me, uit medely, Een Kroon geeft, om die aan een ander op te draagen, Noch dat ge, om Attalus te hoeden voor zyn laagen, Uw Staaten onder hen verdeelt. ô Neen! indien Dat Romen liet hier voor te grooten yver zien, 't Is alles buiten my geschied: 'k heb niets van nooden. Ik kan geen grooter straf ontfangen van de Goden,
Dan dat ik u niet zou navolgen in de dood, Zo dra u in myn arm de laatste snik ontschoot. Neen, de eerste zuchten op uw grafzerk zullen baanen Een weg, waar langs ik stort myn bloed met myne traanen. Prusias. Helaas, Mevrouw! Arsinoë. Ja, Heer, dat droevig oogenblik, Waar op gy, aan myn mond, geeft d'allerlaatsten snik, Zal ook met een myn lot besluiten, zonder vreezen. En, weetende dat hy myn Koning niet zal wezen, Wat heb ik hem dan ook te schroomen? Wat voor kwaad, Wat schade kan hy my dan doen, in deezen staat? En al de gunst, die ik hier voor tacht weg te draagen, Is dat gy onzen Zoon, die hem reeds kan mishaagen, Te Romen, daar gy hebt de opvoeding van zyn jeugd Vertrouwt, laat eindigen zyn tyd: dat daar zyn deugd Zy veilig, slytende zyn leeven zonder Staaten. Deeze eed'le Held, die nooit zyn krygsdeugd zal verlaaten, Dient u, myn Heer, en zal 't noch meer doen, als hy ziet Dat niets hem staat in 't licht naar 't opperste gebied; Als hy niet meerder der Romeinen hoeft te schroomen: En zo die eenmaal hem, uit wraak, op mogten koomen, Hy 's dubbeld tegens hen gewapend, weetende al De krygslist van den groote en dapp'ren Hannibal, Die 't Romen heeft gemaakt zo bang, met oorelogen, Dat Afrika noch ziet, met Azië, voor oogen, 't Nut dat Antiochus,en gantsch Karthaage won Van zyn beleid en moed, die 't al verwond'ren kon. 'k Vertrek dan, laatende u in vryheid, op dat heden Natuur, die al te lang heeft met uw hart gestreeden, Uw gunst opwekke. Ik wil niet langer dat myn eer Werd van een Prins, dien ik op 't alderhoogst waardeer,
Gehoont in uw gezicht; noch reden zyn gegeeven, Om uwe gramschap op te wekken tegen 't leeven Van zulk een waarden Zoon.
Cookies on Poetry Cove