Eerste tooneel.
Prusias, Flaminius, Laodise.
Prusias. Kan u zo zeer de naam van Koningin behaagen, Zo moest ge ook meerder zorg om dien te houden draagen. Geen Koningryk, te streng beheerscht, kan lang bestaan. Laodise. Wanneer ik myne hand aan 't roer van staat zal slaan, Zult gy my, op myn beurt, die staatles zien waardeeren. Prusias. Gy zyt niet op den weg, welke u leid tot regeeren. Laodise. Ben ik verdwaald, men wyz' my 't rechte spoor, myn Heer. Prusias. Gy acht hier Romen toe te klein; en gy hoort meer Ontzagh te toonen, en uw fierheid te bedekkken Voor my, die u in plaats van Vader moet verstrekken. Laodise. Ik toonde u beiden wat ik schulig was, indien Dit naar den eisch van het betaamen kon geschiên. Hier met een Afgezant, als Koningin, te spreeken, Ware of men u naar 't hart, en naar uw Kroon wou steeken. Ik weiger dan die gunst; 'k begeer geen staatsgezagh, Dan in Armenie, daar 'k vry gebieden mag. 'k Zal daar, wanneer ik op myn Rykstroon ben gekoomen, Met meerder Majesteit, den Afgezant van Romen Gelyk een Koningin antwoorden, naar den staat Van zyne waardigheid, en die van Romens Raad.
'k Begryp niet op wat wys dat ik hem hier zou hooren: 'k Heb geen gebied, dan in het Ryk my aangebooren; En, buiten dat, zo strekt de godgewyde magt Van Koningin, zo groot, zo waard alom geächt, Niet wyder, dan dat ik by niemand, wie 't mag wezen, Wat Koning, welk een Staat, hoe hoog in top gereezen, Ontzagh verschuldigd ben. 'k Erken op uw geboôn Geen Magten, dan my zelf, de Reden, en de Goôn. Prusias. Die Goôn, en ook de Vorst, waar van gy kreegt het leeven, Die hebben, over u, aan my 't gebied gegeeven: En, zonder dat de Goôn u helpen, word gy licht Eerlang gewaar, die zo verwaand voor niemand zwicht, Wat dat de Koningen, door hunne magt, vermoogen. En, om daar van een proef te neemen voor uwe oogen, 'k Wil in Armenië u gaan brengen, maar met al Myn Krygsheir, dat u op dien togt verzellen zal. Kom, gaan we op morgen. Maar, berei u, om te aanschouwen 't Verwoesten van uw Land, van tempels en gebouwen; In de omgewroete Steên, een zee van menschenbloed, By bergen vol van doôn, en euv'len overmoed Van roof, geweld, en moord, als niets hen kan bepaalen; Ja, al wat schriklykst is in d'oorlog af te maalen. Laodise. 'k Verlies myn Staaten, maar geenszins myn Majesteit. En deeze ramp, dien 'k ly door myn grootmoedigheid, Zal me uw Slaavin wel, maar uw Onderdaan niet maaken. Myn ziel zal eeuwig in deeze eed'le fierheid blaaken Myn leeven staat wel, maar myn moed niet, in uw hand: Die triomfeert, en houd in tegenspoeden stand. Prusias. Wy weeten raad om dees ontemb'ren moed te toomen;
En als gy eind'lyk zyt tot naberouw gekoomen, Wars wezende van al de elenden aan te zien, En Attalus zal op uws Vaders troon gebiên, Dan zult gy licht vergeefs hem smeeken, en begeeren Zyn hand, om u daar op te leiden tot regeeren. Laodise. Ik zal dan wel, zo dit komt door uw krygsgeweld, Van zin veranderd zyn; doch, 't kon wel wezen, Held, Dat gy zo ver nooit kwaamt, en voor myn nut de Goden In arbeid gingen, als ik heb hun hulp van nooden, Die moog'lyk u van zin verand'ren, of wel licht Een Held verwekken, die voor u, noch Romen zwicht. Prusias. Gy steunt op een Vermeet'le en Trotsen, die zich zelven, En u zal in een graf van allen ramp bedelven. Bedenk u wel; bedrieg u zelf niet met den schyn. Kies of gy Laodise, of Koningin wilt zyn: En dit 's myn laatste raad voor u, en myn begeeren, Dat gy Prins Attalus, indien gy wilt regeeren, Tot Koning maakt. Vaar wel.
Cookies on Poetry Cove