Aan mejuffer Katharyne Lescailje, op haar E. treurspel van Ariadne.
Corneille heeft, 't is waar, byzond're lof behaalt
Aan 't Fransche Hof, daar hy van Febus was bestraald,
Als Ariadne, zo bekoorlyk aan elks oogen,
De zielen roeren deede en trof met meededoogen:
Maar hier ten Schouwtooneel, in Nederduyts gedicht,
Zo heerelyk gerymd, gekomen in het licht,
Bekoort zy ons zo wel, begaafdste Treurheldinne
Katryne, waardige, ja, waardste Halsvriendinne,
Als haar; en welverdiend behaalt zy meerder prys
Dan toen het wierd vertoont op 't Schouwburg van Parys.
Ik vley u niet: ô neen, gy weet dat myn gewoonte
Doet geen blanketzel aan natuurelyke schoonte.
JOHAN van MEEKREN.
MDCXCIV.