Zevende tooneel.
Arsinoë, Attalus, Laodise, Cleone.
Arsinoë. Prins, hebt gy hun vertrek gezien van deeze stranden? Attalus. Ach! Arsinoë. Spreek. Attalus. De Hemel stort ons noch in dieper druk! Prins Nicomedes is 't ontvlucht, tot zyn geluk. Laodise. Mevrouw, vrees nu niet meer voor myn gerechten tooren: 'k Voel de edelmoedigheid weêr in myn ziel herbooren. Arsinoë. Schept gy vermaak in my te ontstellen? Attalus. Neen, Mevrouw; Vlei u hier meê niet dat ik zelfs dit denken zou. Araspes was met hem tot aan de deur gekoomen,
Waar uit Flaminius zyn weg reeds had genoomen, Als d'ongelukkigen wierd, van een sterke hand, Een pook in 't hart gedrukt: hy valt, in deezen stand, Al schreeuwende en verbaasd, voor Nicomedes voeten; En zyn gevolg, bevreesd van 't zelfde lot te ontmoeten, Nam straks de vlucht. Arsinoë. Wie of aan deeze deur den moord Heeft kunnen doen, waar door onze aanslag is verstoord? Attalus. Een weinig krygsliên, die hem scheenen te bewaaren, En 's Prinsen . . . . Arsinoë. Ach! men vind alom veel moordenaaren, Verraader, schelmen, die hun koningen verraân, En weinigen die hen getrouw ten dienste staan. Wie zeide u deeze maar'? Attalus. Araspes voor zyn sterven. Maar daar's noch meer waar door men alle hoop moet derven. 'k Liep naar myn Vader, om hem tegen het geweld Te hoeden; doch te laat: de Vorst, van vrees bekneld, Was in een boot gestapt, ontvluchtende zyn kwaalen, Om noch Flaminius, waar 't moog'lyk, te achterhaalen, Die licht geen minder schroom, noch smarten hebben zal.
Cookies on Poetry Cove