Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Vyfde tooneel.

Klytemnestra, Agamemnon, Euribates.

Klytemnestra. Neen, schoon ge 't my beveelt, de straf is te ongenadig. Ik werp voor 't allerlaatst my zelve gantsch misdaadig, Voor uwe voeten neêr. Ik kom hier niet, ô neen! Om in myn afscheid, door beweegelyke reên, Uw eerste liefde in uw gemoed weêr op te wekken, Noch my te zuiveren van de opgeleide vlekken: Gy oordeelt my onwaard, en dat 's genoeg, myn Heer, Om af te staan van 't hart dat gy my gaaft welëer. Maar mag ik niet in 't leed, dat my het hart zal breeken, Uit moederlyke zucht een woord tot voordeel spreeken Van myn bedroefden Zoon? Hy mint Kassandre, en heeft Altoos bevonden dat ik heb zyn vlam weêrstreeft. Dit was ik schuldig, toen ik moest uw dood beweenen: Maar 't is veranderd, en gy leeft weêr in Myceenen. Laat my nu toe, dat ik meêwaarig met zyn smart, Kassandre aan hem mag biên met een geneegen hart: Laat zyn elendige en bedroefde Moeder heden Dien troost gebeuren: zo zal zy met meerder reden, Wanneer zy van hem is, verachten al dat leed, Dat zy hem zocht te doen wanneer zy was te wreed.

Laat hem, eêr ik vertrek, noch trouwen voor myne oogen; Op dat hy, dit door my ontfangende, uit meêdoogen Als ik te Sparte ben, koom 't leevenloos gezicht Der Moeder sluiten, door een kinderlyken pligt. Agamemnon. Die reden, ik beken 't, klinkt wonder in myne ooren. Waar is die zucht toch voor Orestes uit gebooren, En zulk een nieuwe zorg? Ik zal wel zelf zyn staat Bevord'ren zonder u, en zonder uwen raad. Wil u in d'Echt uws Zoons aan 's Vaders zorg gedraagen. Klytemnestra. Waarom kan u die van een Moeder niet behaagen? Waarom wilt gy dien pligt, zo heilig en zo zoet, De laatste weldaad die zy van u hoopen moet, Haar weig'ren? Waarom mag Kassandra toch niet trouwen Aan myn Orestes? ach! Agamemnon. Mevrouw, 'k ben ongehouwen U opening te doen van myn geheim besluit. 't Zy u genoeg, ja 't is te veel, dat ik u uit' Dat ik zyn min vergeef die myn gezicht durft tergen. Klytemnestra. Vaar voort; laat af van uw gedachten te verbergen. Ik weet, 'k zie alles; en 't is geen meer veinzens tyd: De Faam, die uwe daân langs 't aardryk breed en wyd Verbreidde, heeft alleen uw lof niet uitgekreeten, Maar ook de gruuw'len van uw hart my laaten weeten; Dat voor Kassandra voed een snoode minnelust. Ik twyfelde eerst hier aan, om uwe en myne rust: Maar 't weig'ren van myn bede ontdekt me uw schandlyk blaaken. Wel aan, wil u Slaavin tot uw Meestresse maaken.

Agamemnon. Wat stout verwyt op zulk een stond, waar in men my Moest bidden om genaâ! Maar was uw hart wel vry Van schandlyk minnevuur, toen uw verdwaasde zinnen Der lieden harten voor een ander durfden winnen, Die op myn huwlyksbed zou treên en op myn troon? Was toen u, eêr ge my onteerde met dien hoon, Een zeek're kennis en getuigenis gegeeven Dat ik in 't onweêr en de schipbreuk liet het leeven? Het was uw pligt geweest te gaan van kust tot kust, Tot dat ge van myn dood volkomen waart bewust. Als Moeder van myn Zoon, en Weduw, nagelaaten Van Agamemnon, moest ge aan de eer van zyne Staaten En aan dien grooten naam, met schrik alom gevreesd, En aan zyn schim getrouw voor eeuwig zyn geweest. Maar eind'lyk, 't is genoeg: ik breek onze Echt op heden, En wil niet dat gy ooit de plaats meer zult bekleeden Van myne Weêrhelft, of van 't Ryk, als Koningin. Klytemnestra. 'k Verlaat dan Atreus troon met verheugden zin; Dit Ryk, deez' stad die staâg der Goden haat verdienden; Dit hof met bloed besmet door 't moorden van zyn vrienden; Dat honderdmaal, onteerd door vloekenswaarde daân Van hunne Koningen, te gronde scheen te gaan. Myn ballingschap, en breuk van uwe trouw behaagen My meerder dan 't verblyf ter plaats daar ik myn daagen Versleet in traanen en in zuchten; ja veel meer Dan zulk een snood Gemaal, die honderdmaal welëer Het bloed van Jupiter, waar uit hy zogt te leeven, Verloochent heeft door 't geen hy schandig heeft bedreeven: Maar 'k moet u, eêr ik gaa, tot uw verdriet en wee 't Afbeeldsel laaten van de gruw'len die gy deê.

Gedenk hoe gy voorheen door uw staatzuchtigheden En dwaaze hovaardy, in spyt van myn gebeden, Myn Dochters bloed, helaas! vergooten hebt zo wreed, Die droeve Isigenië . . . Ach! droevig hartenleed! ô Jammerlyk gezicht, daar Kalchas voor moest schrikken! De vlam der houtmyt had ontzagh alle oogenblikken Voor 't jeugdig offer; en zy wendde zich daar af, Om 't noch te spaaren voor de afgryzelyke straf. Denk door wat vlam, vermengd met zo veel ongelukken, Gy liet Briseïs uit Achilles armen rukken. Maar dit is niet genoeg: uw eigen Zoon wilt gy Verslaaven aan de magt der kind'ren, die ge bly Uit Paris zuster wacht. Ja, dit betreft u nader, ô Waard Gemaal! ô groot Monarch! rechtvaardig Vader! ô Held! trouw vry Kassandre; en zy gebiede uw Staat: Maar, tot een straf van die verdoemelyke daad, Zo vrees de knaaging van uw ziel door duizend dooden; Vrees my, uw Zoon, ja al de Grieken, en de Goden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove