Zesde tooneel.
Attalus alleen.
Hoe! Attalus, is 't dus dat uw Voorvaders handen
Den scepter zwaaiden? en zult gy nu, tot uw schanden,
Den naam van Koning voor u zoeken, daar gy vind
Zo veele Meesters die bepaalen uw bewind?
Deeze eernaam; tot dien prys, verveelt me, en kan my hoonen.
Doch is 't myn lot dat ik aan iemand moet betoonen
Gehoorzaamheid, wel aan, 't zy dan aan éénen Heer,
Dien my de Hemel gaf; welke, achtende zyne eer,
Al te grootmoedig is, te hoog in top gereezen,
Om een slagtöffer van den Roomschen haat te wezen.
Laat ons hen toonen, dat wy zien tot ons geluk,
En 't Ryk verlossen van hun onverdraag'lyk juk;
Dewyl ze alleen door hun belangen zyn gedreeven,
En uit staatkunde ons een geveinsde vriendschap geeven.
Laat ons, op onze beurt, mistrouwen hunnen magt,
Voorkoomende hun list en nyd, alom verdacht.
Einde van het Vierde Bedryf.