Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Eerste tooneel.

Nicomedes, Laodise.

Laodise. Ja, Nicomedes, het behaagt my, dat myne oogen In uw grootmoedig hart noch zegepraalen moogen, En daar regeeren met een onbepaalde magt; Dat ik, na dat gy wierd alom gevreesd, geächt, Met veel doorluchtige triomfen overlaaden, In de eed'le schaduw van uw schoone lauwerbladen, Hier d' Overwinnaar zie als myn' Verwonneling, Om de eer, die hy, met zo veel lyfsgevaar, ontfing, Aan myn geringe waarde al tevens op te dragen, Als 't grootste Voorwerp van zyn weêrkomst en behaagen. Doch, welk een goed dat my daar meê de Hemel geeft, 'k Voel dat myn vreezend hart die blydschap wederstreeft. 'k Aanschouw u tot myn leed, dewyl dat myn gedachten Uw weêrkomst en verblyf aan 't Hof gevaarlyk achten, Daar uw Stiefmoeder heerscht, de Vorst uw Vader ziet Alleen door haar gezicht, haar wil, in 't Ryksgebied, Hem voor een wet verstrekt. Gy moet haar list ontwyken. De felle haat, die zy steeds tegen u liet blyken, Vernieuwt zy noch om my. Uw Broeder, en haar Zoon, Die onlangs wederkwam, heeft sedert 't weinig schoon. . . .

Nicomedes. 'k Weet reeds dat hy u mint, en herwaarts is gezonden Van Romen, daar hy was als Gyzelaar verbonden, Uit ander inzicht; want met hem heeft de Afgezant Flaminius getracht, door 's Moeders list en hand, Den grooten Hannibal, die, voor 't geweld van Romen, Aan 't Hof van Prusias zyn toevlucht had genomen, Te krygen in zyn magt, en reeds ook had, zo hy Zich niet van Romen, en de Roomsche slaaverny, Bevryd had door vergif; veryd'lende al haar poogen (Van hem geketend in triomf, voor yders oogen, Aan 's Veldheers zegekoets te sleepen) door zyn dood. 'k Had, door myn laatsten stryd, zo bloedig en zo groot, Gantsch Kappadocië aan Bithinië verbonden Als my de maar' wierd van myn Meesters dood gezonden; En, vreezende voor myn Meestres, en meer geweld, Heb ik Theagenes myn Heir ter hand gestelt, En kom tot bystand van myn Koningin gevloogen. Ik weet hoe noodig dat u hier is myn vermoogen; Dewyl de Vorst steeds word van d' Afgezant verzelt. Zo die, om Hannibal alleen in zyn geweld Te krygen, herwaarts kwam, waar toe strekt dan zyn blyven, Nu hy is dood? Of tracht hy mooglyk door te dryven Myn Broeders huwelyk, met u, door list en dwang? Laodise. 't Gaat vast, Flaminius neemt deel in het belang Der Koningin: hy zal haar zaak de zyne maaken. Want nu zy Hannibal, om tot haar wensch te raaken, Hem, tot een offerhand', slachtte op 't altaar van staat, Is hy hier toe verpligt, doch ik niet buiten raad 'k Heb noch geen reden om van hem misnoegd te wezen. Maar, wat hy mogt bestaan, waar voor hebt gy te vreezen?

Myn eer en liefde had op my wel kleine magt, Moest die versterkt zyn door uw byzyn en uw kracht, Zo 'k tot die zwakheid my zo spoorloos liet verrukken, Dat ik stelde Attalus voor 't Hoofd der Krygsgelukken; Voor d'Overwinnaar van gantsch Asië in myn gemoed; Dien Attalus, zo lang te Romen opgevoed, Als Gyzelaar of Slaaf, daar hy van al zyn leeven Niets heeft geleert dan voor een Arendstandaard beeven, Die minder Amptliên zelfs ontziende. Nicomedes. Ik stierf, Mevrouw Veel liever, dan dat ik uw min verdenken zou. 't Geweld, helaas! en niet uw zwakheid doet my schroomen. Indien 't Romeinsch Gebied heeft tegens ons genomen. . . . Laodise. 'k Ben Koningin, myn Heer. Gantsch Romen dreige ons vry. Dat, noch uw Vader, heeft op my geen heerschappy; En wierd hy over my, in myne mind're jaaren, Als Voogd gestelt, het was om aan my te openbaaren Myns Vaders laatsten wil, die u, en anders geen, My gaf tot Bruidegom: en 't staat aan my alleen Of ik my des ontslaan, of hier aan wil gedraagen. Doch 't is het vaderlyk, en 't is ook myn behaagen, Dat de Erfvorstinne van Armenië haar hand Aan d' oudsten Prins van 't Ryk Bithinië verpand'. Gy zult myn fier gemoed zo zwak noch laf aanschouwen, Dat ik een Onderdaan zal voor een Koning trouwen. Stel u gerust. Nicomedes. Is my dit moog'lyk? daar ik u Ten doel zie van een Vrouw, voor welkers woede ik gruw? Die alles hier vermag, en alles zal begeeren,

Als of 't haar vry stond, tot zy ziet haar Zoon regeeren: Daar 's niets zo heilig dat ze ontziet. Die Hannibal Verried, kan 't ook wel zyn dat zy u schoomen zal Geweld te doen, die noch op eer past noch op eeden, En 't heilig gastvryrecht zo trouwloos heeft vertreeden? Laodise. Heeft dan 't recht der Natuur het voordeel en geluk Om u voor haar te hoên, na zulk een gruwelstuk? Uw wederkomst, in plaats van dat zy zou verbreeken Haar toeleg, stelt u bloot voor haar ontmenschte treeken, En my met u, myn Heer. 't Zal voor een misdaad gaan, Dat gy kwaamt, zonder last, hier uit het Leger aan. De Moeder en de Zoon die zullen u eerst trachten Voor een staatöfferhand' van haar belang te slachten, En neemen my, tot myn verderf, zo groot een stut. Maar zo gy zyt aan my zo noodig en zo nut, Om vry en veilig voor haar dwinglandy te wezen, Zo moet gy maaken dat zy allen voor u vreezen. Ga weêr naar 't Heir, wilt gy my helpen in dit leed; Toon honderd duizenden van armen, die gereed Tot myn bescherming zyn. Spreek als gy uit haare oogen En dwang zyt, en geenszins ten hoof in haar vermoogen. Zy vreezen niets, indien gy hier blyft. 'k Bidde u, vleid Uw hart niet, noch verlaat u op uw dapperheid, Noch glory van uw Naam, die heerlyk schiet zyn straalen, En uitgeschreeuwd is, reis op reis, in 't zegepraalen, Voor Overwinnaar. Prins, gy waagt u al te stout; Uw eed'le moed heeft hier, hoe ge u daar op vertrouwt, Maar één paar armen, van uw' vrienden hulp verlaaten. Schoon gy de liefde en schrik van de Aard' zyt, wat kan 't baaten? Die zo ten hoof komt, brengt den Koning zelf zyn hoofd. 'k Raade u noch eens: Keer weêr, indien gy my gelooft.

Laat hen van verre alleen uw dapp're daân aanschouwen. Behou u zelven toch, zo gy my wilt behouwen. Maak dat men voor u vreez', zo vreeze ik noch myn min. Nicomedes. Zal ik weêr gaan naar 't heir, waar in de Koningin Heeft Moordenaars, om myn onschuldig bloed te plengen? Twee zyn'er van ontdekt, die ik liet herwaarts brengen, Om te overtuigen haar gemoed van deeze daad, En aan den Koning te doen zien haar snood verraad. Schoon hy is haar Gemaal, verpligt door 't huwlyksblaaken, Hy 's ook myn Vader: en of hy me al wou verzaaken, En dwingen zelfs Natuur tot zwygen, door zyn magt Drie Scepters, door myn arm, aan zyne kroon gebragt, Die zullen spreeken in zyn plaats, en geenszins zwygen. Doch zo ons Lot, dat schynt tot ons verderft te nygen, Myn val zo wel in 't hof als in het heir bereid, Waarom toch, daar me alom werd alle rust ontzeid, Wilt gy, Vorstin, beroofd van moed en mededoogen, My noch benyden dat ik sterve voor uwe oogen? Laodise. Neen, 'k zeg u nooit meer dat ik ben bevreesd. Wel aan, Indien 't besluit is van de Goôn dat wy vergaan, Wy zullen zaamen dan vergaan, en laaten 't leeven. Kom, waap'nen we ons met moed, zo zullen wy doen beeven Al wat zo boos en laf ons te onderdrukken zoekt. 't Gemeen bemint u, daar 't die eereloozen vloekt; En 't is geen klein geluk voor u, dat ge in de harten Der Onderdanen heerscht, die yder vreest te tarten. Maar, 'k zie Prins Attalus uw Broeder: wat verdriet! Nicomedes. Hy zag my nooit voorheen; Mevrouw, ontdekt my niet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove