Tweede tooneel.
Alexander, Frederik.
Alexander. Zult gy noch langer dan uw hart voor my verbergen?
Gy schynt myn vriendschap, die hier over klaagt, te tergen. Zy is by u verdacht, of gy doet haar geweld, Ontroovende haar 't geen ge ontveinst, en my niet meld. 'k Begeer geheel het hart dat gy my hebt gegeeven. Indien ik immer tot uw dienst ben aangedreeven, Zo heb ik, waarelyk uw vriend, my nooit vernoegt, Ten zy ik u geheel myn hulp had toegevoegt; En, door een eed'le drift die steeds u zal waardeeren, Voor u gedaan al 't geen ooit vriendschap kon begeeren; Waar van gy echter niet verzekerd schynt te zyn, In twyfel trekkende, tot myn verdriet en pyn, Den eed, dien ik u zwoer; terwyl ik in uw wezen Kan een bedekt belang, begeerte, en kwelling leezen. Met een gezicht, dat u beklaagt, en is te onvreên, Zie 'k dat gy een geheim bewaart voor u alleen. Frederik. Wanneer ik dacht dat gy myn kwelling kost verzachten, Heb ik u deelgenoot gemaakt van myn gedachten; En biddende u om hulp, gaaft gy ze aan my zo haast, Dat zelfs 't herdenken my beschaamt maakt en verbaast. Doch nu 'k gevoel myn kwaal zo groot, zo zwaar in 't draagen, Dat uwe vriendschap die geneezen kan, noch schraagen. Is 't niet genoeg dat die alleen verdrukt myn hart, Ten zy uw vriendschap deele in myn verdriet en smart? Alexander. Een Vriend, die maar alleen draagt al zyn ongenuchten, Doet d' ander ongelyk. Myn deel in uwe zuchten Zal straks de helft des lasts verlichten, die u kwelt. Spreek, Hartog: 'k wil dat gy 't geheim my daar van meld; Want uw belang is 't myn'. Wat maakt u zo belaaden? My kwam ter ooren, dat ge uw zegeryke daaden Met de overwinning van de min wilt zien gekroond,
En dat als gy den Vorst, die u zyn gunst betoont, En 't loon dier zege aan u verpligt is, wilde ontdekken De Schoonheid, die uw ziel tot liefde kon verwekken, 't Uitzinnig woeden van den Prins u sloot den mond. Gedoog dat ik voor u mag heen gaan; en terstond, Eêr gy aan my 't belang, dat hy heeft, zult verklaaren, 't Verschil beslechten, 't welk u zulk een smart kan baaren. 't Is tyd dat men bestraff' zyn ongebondenheid. En nu de Koning die beschermt, en voor hem pleit, Vind ik myn hart en arm gemoedigd, om te wreeken Het kwaad, waar meê hy u, en my, naar 't hart durft steeken. Meld my ten minsten dan het voorwerp van uw brand, Terwyl ik tot uw dienst aanbied myn hart en hand. Frederik. Ik zag genoeg het vuur van uwe goedheid blaaken. 'k Hoef u geen nieuw verschil, myn Vriend, met hem te maaken. Men zou hier door zyn hart verbitt'ren al te zeer. Hy is een Prins, en licht wel haast onze Opperheer. Laat ik veel liever zyn verwoede driften myden. Verwytende aan myn kwaâ geboortestar myn lyden, En denken dat het lot meer schuldig is dan hy, Dat my verdrukt door 't juk van zyne dwing'landy. Laat ik in deeze borst bedekt myn liefde draagen, Nooit d'oorspronk noemen, die zo zeer hem kon mishaagen. 'k Heb hier toe noch veel meer verpligting dan de magt Van zyn verbod; ja, een ontzagh van grooter kracht, Dat my beveelt, om voor uwe oogen niet te ontdekken Een liefde, die misschien uw haat my zou verwekken. Alexander. 't Hardnekkig zwygen heeft reeds uw geheim verklaart, Maar aan een hart dat steeds bescheiden is van aart. 'k Merk, 't is Kassandra, die uw ziel kon overheeren,
En 't waardste voorwerp dat gy immer kunt begeeren: 't Is zy, in welker glans de Prins behaagen nam; De Prins, die allermeest de hoop rooft van uw vlam. Gy zyt, terwyl gy haar voor my hebt aangebeden, Gevangen in het net van haar bekoorlykheden. Myn min, die gy by haar, voor de uwe, stelt en acht, Is die verpligting, dat ontzagh zo groot van kracht. Neen; vrees nooit dat een Vriend u vyandschap kan toonen, Nu dat ge uw misdaad met Kassandra kunt verschoonen, Die de oorzaak is, en ook de onschuldiging dier zaak. Ja, schoon haar liefde is al myn leeven en vermaak, Ik moet . . . . Frederik. Ik kan niet meer de redenen verdraagen. Dat ik niet eerder u gaf antwoord op uw vraagen, Sproot uit verbaasdheid, wiens geweld my maakte als stom, Zo dat ik ben verdwaald, en zoek my zelf weêrom, Geduurig twyfelende, in myn verwonderde ooren, Of gy dit spreeken kunt, dan of ik wel kan hooren. Met welk een donderslag treft gy myn trouwe ziel, Waar in nooit trouw'loosheid, noch zulk een lafheid viel! Zoude ik, ik, by Kassandre u zo vervloekt verraaden? Myn deugd bevlekken, en myn eer met schand' belaaden? Uw onderlinge min, zo vast, zo eensgezind, Verbreeken? Zoud gy dit gelooven van een Vrind? Alexander. Zoud gy gelooven dat uw achting was verlooren, Als haar aanminnigheid uwe oogen kon bekooren? Frederik. Zoud gy wel kunnen my beminnen, zo myn hart Was schuldig?
Alexander. Ja, ik kan, in spyt van al my smart, O Medeminnaar, of Vertrouw'ling! u niet haaten? Frederik. En ik, grootmoedig en oprecht, u nooit verlaaten, Noch ooit verraaden; neen. Alexander. De min, die alles kan, Verrast de harten, en maakt zich daar meester van. Frederik. Die kan geen trouw'loos Vriend zo zwaar een schuld vergeeven. Alexander. Verschoon myn achterdocht, daar 'k wierd toe aangedreeven, Door 't misvertrouwen van de trouw, die gy my toont. Frederik. Myn vriendschap heeft die reeds met diep ontzagh verschoont, U biddende dat my geoorlooft zy te zwygen. En, zonder ooit op my weêr achterdocht te krygen, Dat uwe vriendschap, die gy teder tot my draagt, Hier over nimmer zich vermindert, noch beklaagt; Hoe is het mogelyk dat gy voor my zoud vreezen, Gy, die ik heb zo vaak myn trouw en dienst beweezen? En, zo die ooit by u verdacht was, kunt gy licht Myn onschuld kennen in 't waarnemen van my pligt; Terwyl ik u ontdek, hoe dat de Prins van zinnen Geduurig aanspant, om Kassandra te overwinnen. Het is geen tyd, zo gy haar vryheid, hand en hart Behouden wilt, dat gy, uw teed're minnesmart Noch langer met myn naam bedekt; of ze is verlooren. Ja, 't is al lang genoeg dat gy aan haar deed hooren Uw trouwe liefde, in schyn van myne. Ik heb verblint. Al de oogen van het hof, en haat voor u bemint.
Verban 't gebruik dier list: wil aan Kassandraas leeven, Dat steeds word van den prins ontrust, de rust weêr geeven. Gy hebt haar wedermin en hart tot onderpand. Bedien u zelven van dat voordeel, in uw brand. Wil eeuwig deeze gunst voor u, door d' echt, bewaaren. Dit kan alleen haar rust, u vergenoeging baaren. Die raad komt van haar zelf: uw heil hangt gantsch daar aan. En honderd reedenen, die zy my deed verstaan, Voor u verzwygende, moet ik u ook dit raaden. Besluit, myn Heer, besluit: voorkom uw smart en schaaden. 'k Zag straks Kassandra by uw Zuster, die gewis Met zorg en kracht aanspant al 't geen dat moog'lyk is, Om haar tot 's Prinsen min, en huw'lyk te beweegen. Vrees vry, hoe zeer zy tot uw liefde zy geneegen, Voor d' aart en hoogmoed van het vrouwelyk geslacht. De glans der kroon, en de eer der koninglyke magt, Bekoort haar de oogen licht. Van zulk een zorg en lyden Kan 't huw'lyk u alleen verlossen en bevryden. Alexander. Maar kan het my dan ook bevryden voor den haat En magt eens Vaders, die my zal in deezen staat . . . . Frederik. Indien uw liefde het verblyft aan zyn vermoogen, En voor de wetten van de min blyft onbewoogen, Betrachtende de wet van kinderlyken pligt, Geduurig vreezende het vaderlyk gezicht, Zo schynt het dat de min wel flaauw uw hart doorgriefde. En 't ongestuimig woên uw's Broeders toont meer liefde, Dan uw ontzagh. Alexander. Neen, neen, de wetten der Natuur Voel ik bezwyken voor de liefde en voor haar vuur;
En nu dit lot bestiert myn pligt en myn verlangen, Wil ik de wet steeds van Kassandre alleen ontfangen; Myn trouw dees avond noch voltrekken. Doch, in schyn Van uwen naam, moet dit noch wat verborgen zyn. Gaa gy voor Bruidegom: het mag daar na verwekken, Wanneer de tyd eerlang zal dit bedrog ontdekken, Den magteloozen toorn eens Vaders, en de spyt Eens Broeders, woedende van haat en minnenyd. Frederik. Dat is myn aanizen in uw dienst gevaarlyk waagen; Doch nu 'k geheel myn hart aan u heb opgedraagen, Zo kan ik u myn naam niet weig'ren. De uwe zal My eeuwig . . . . .
Cookies on Poetry Cove