Achtste tooneel.
Salome, Thamar.
Salome.
Indien het einde is zo gelukkig, als 't begin,
Zo is de zege aan ons, en 't gaat naar onzen min.
Thamar.
Zy kan onmoogelyk zo zwaar een slag ontwyken.
Haar hoogmoed zal in 't eind, voor uwe list, bezwyken.
't Gaat wel: ik zie alreeds hoe dat zyn yver woed,
Wraakgierig dorstende naar Mariamnes bloed;
Haar vallen, u, met vreugd, gerust uw adem haalen;
Uw zon verryzen, en de haare nederdaalen;
De kroon, eeuw in eeuw uit, aan uwen stam gebragt,
Ten top van eer gevoerd, tot schand' van haar geslacht.
Verban vry alle vrees, nu gy moogt alles hoopen.
Salome.
Nu ziet ge ons beide om stryd in deeze renbaan loopen,
En dingen om den prys, elk even trots en fier.
Thamar.
Haar hoofd krygt haast cypres, en 't uwe lauwerier.