Tweede tooneel.
Agamemnon, Kassandra, Ismene.
Agamemnon. Mevrouw, de huw'lykspracht, 't altaar en de offerhanden Zyn vaardig; 't wierook wacht, om op uw komst te branden. De Liefde spoed een Echt zo heerlyk en volmaakt. Ik bid u, laat ons gaan; het vrolyk uur genaakt. Kassandra. Spreek my niet meer van Liefde en Echt, die my verschrikken. 'k Meende over ons geval op deezen dag te schikken: Maar 's Hemels gunst, die myn beneveld brein verklaart, Heeft my het hoog bevel der Goôn geöpenbaart.
Uw lot en 't myne staan niet meer aan ons behaagen. Agamemnon. Goôn! welk een zaak? Wat stof om weêr op nieuw te klaagen? Wat durft ge zeggen 't geen zo zeer myn hart verbaast? Kassandra. Het geen Apol in myn verwoede zinnen blaast. Ja, Agamemnon, 't zyn de Goôn, die my genaaken: Zy willen van myn lot en leeven 't einde maaken; En 't noodlot wil uw dood: 't geluk vlied van uw Staat. Agamemnon. Is 't niet een ydele bedreiging, die uw haat Alleen, Mevrouw, my meer, als al uw Goôn, laat blyken? Waar heeft een Oppervorst, in 't midden van zyn Ryken, Doch voor te vreezen? Kassandra. Al waar dat hy niet voor vreest. Ja, in dat oogenblik, als uw vertrouwen 't meest Zich trots verlaaten heeft op al uw yd'le magten, Zult gy uw grootheid, uw besluiten en gedachten, Vernietigd zien, en u verlaaten in den nood. Ik zie, 'k geniet, en proef den voorsmaak van uw dood, En in uw bloed de wraak van Trojens nederlaagen, En deezen dag voor my de vrolykste aller dagen; Terwyl deez' dag voor u en de uwen wezen zal Ondraagelyker dan al 't bitter ongeval, Aan al het Troische volk in tien benaauwde jaaren. Maar met uw dood kan noch myn gramschap niet bedaaren: Daar is noch meer dat tot myn wraak en rust behoort. 'k Zie Klytemnestra zelf afgryselyk vermoord, Door haare schuld by uw bebloede schim gezonden. Doch waar toe noodig om zo verre door te gronden In 't geen toekomend is? Helaas! ik zie uw Zoon . . . . O gy, beklaagelyke Orestes! (groote Goôn!)
Door my begon uw ramp: wat droevige gevolgen! Ja, 'k zie uw Zoon verschrikt, al beevende en verbolgen, De gantsche waereld door omzwerven in zyn druk; Ach! welk een zwaare straf! Goôn! welk een ongeluk! Laat vriend en vyand vry zyn ongeval beschreijen. Agamemnon. Mevrouw, herstel u; laat uw geest niet meer verleijen. Bedwing de razerny die, door uw schoonen mond, Meld ongevallen, los en ydel zonder grond. Kassandra. Wil myn vervoering en myn woede meerder achten. Ontzie Apol, die my die inblaast door zyn krachten. Maar hy verdwynt: ik voel dat hy my weêr begeeft. Laat my wat ruimte voor myn hart, dat naauwlyks leeft. Myn geest en ligchaam, door de laatste razernyën Vermoeid, bezwyken door het hevig tegenstryën. 'k Voorspelde u onze dood. Nu word myn ziel verblyd. Denk op uwe eer; laat my de myne: 't word hoog tyd Dat ik 't Vaarwel u zeg. 't Laatste uur is nu gekoomen: Ons leeven loopt ten eind. Verwelkom zonder schroomen Uw dood: Het vonnis van het noodlot, eens geveld, Staat pal voor alle kracht, uitvluchten en geweld. Maar zo gy evenwel noch, zonder angstig vreezen, Aan myn voorzegging, Vorst, durft ongeloovig wezen; Zo gy de godheid tart, die hoog myn eer waardeert; Zo uwe roekloosheid haar gramschap stout braveert; Zo gy na 't huw'lyk noch durft van Kassandra trachten, Zo kom my trouwen: 'k zal u in den tempel wachten.
Cookies on Poetry Cove