Vierde tooneel.
Nicomedes, Laodise.
Nicomedes. Hy mag de Koningin met deezen raad verpligten. Myn edelmoedigheid moest eindelyk noch zwichten Voor zynen haat. Ik heb hem lang genoeg gespaart, Met niet te ontdekken 't kwaad, dat hy, van deugd ontäard, Zo listig ondernam, door zyne moordenaaren. Maar 'k word gedwongen om elk de oogen op te klaaren. De Koning hoorde, door myn toedoen, dit terstond. Uit Methrobates, en verraader Zenoos mond. Hy, ziende dat de zaak is waardig te vervloeken, Neemt zelfs de moeite om die naaukeurig te onderzoeken. Laodise. 'k Weet niet van wat gevolg dit eindelyk wezen zal, En ik begryp geenszins 't beleid van dit geval, Noch ook waarom dat u de Koningin durft tergen, Om te openbaaren 't geen zy hoorde te verbergen. Hoe meer ze u vreezen moest, hoe minder dat ze u vreest; En hoe gy, met meer kracht, de boosheid van haar geest Klaar te overtuigen weet, hoe meer ze u durft belaagen, Als uw doodvyandin. Nicomedes. Zy komt my voor met klaagen, En tracht de reden, die ik daar toe heb, met list, Den naam te geeven van een onderlinge twist En haat, die 'k op haar heb: doch onder deeze streeken, Bedekt zy haare vrees, en blyft in zorge steeken, Laodise. De hofgeheimen zyn zo duister, dat het licht
Van 't alderhelderste verstand daar vaak voor zwicht. Eêr gy hier waart om voor 't geweld my te bevryden, Had ik met Romen, noch met Attalus te stryden: Maar, Heer, zo dra als gy ten hoof gekoomen zyt, Eischt my Flaminius, in uw gezicht, ô spyt! Ten huw'lyk voor den Prins uw Broeder. Myn gedachten Begrypen niet, waarom hy niet zo lang kan wachten Tot gy vertrekt; terwyl ge, op 't koninglyk verlof, Eén dag, en langer niet, verblyven meugt aan 't hof, De duistre wolken, die ik reeds zie opgekoomen, Beneev'len myn gezicht, en doen my alles schroomen. De vorst vleit en bemint, verslaaft de Koningin, En vreest voor Romen. Doch, ofschoon zyn hart en zin Uw daân al niet benydde, is hy zo teêr een Vader Geenszins, als Echtgenoot, en niets betreft hem nader Dan zyne Gemaalin . . . . Maar zie hoe onverwacht Hier Attalus verschynt. Wat of hem herwaarts bragt? Indien 't om my is, vind hy zeker zich bedroogen. 'k Verlaat u, Prins.
Cookies on Poetry Cove