Zevende tooneel.
Herodes, Nicanor, Thares, Lyfwachten.
Herodes.
Schrik der Natuur, veracht van Hemel, en van Aard',
Afgryselyk Gedrocht, dat al myn rampen baart,
Vervloekt en schaadlyk mensch! ik stelde in uw bewaaren
Een schat, die ik met reên voor my alleen mogt spaaren:
En midd'lerwyl hebt gy een Rover bygestaan,
Die aan zo schoon een buit zyn stoute hand dorst slaan.
Gy diende d'oorsprong van myn allerwreedste smarte,
En waart Vertrouw'ling van des Overspeelsters harte.
Gy wist zo vuig een daad, maar hield die voor my stil.
Als op myn ledekant Sohemus, naar zyn wil,
Zyn geile lusten met vernoegen heeft genooten,
Hebt gy met uwe hand 't gordyn zelfs toegeslooten,
En waakte daar omtrent: ja, dit hebt gy verricht,
Als ik naar Rhodes was. Dus schont ge uw trouw en pligt.
Nicanor.
De Hemel, welke aanschouwt al myne onnozelheden,
Weet dat ik nimmermeer den pligt heb overtreeden,
Dien ik verschuldigd was aan zyne Majesteit,
En hoe 'k u diende met getrouwe oprechtigheid.
Herodes.
Getrouw! ô Booswicht! Dat men hem straks weg doe sleepen,
Op dat de waarheid hem ten hals werde uitgeneepen,
Door alle wreede pyn; die word ontdekt, zo hy
Niet is bezwooren door de kracht van tovery.
Einde van het Darde Bedryf.