Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Vierde tooneel. Thezeus, Ariadne, Nerine.

Thezeus. Ik moet dit toestaan, tot zyn eer, Dat zyne deugd is meer dan ik ooit dorst vertrouwen. Hoe! 's Medeminnaars Echt te vord'ren, en te aanschouwen? Ariadne. Zyn glory heeft hem tot dit groot besluit gebragt. Wat zou hy doen? Bewust dat de onverbreekb're kracht Der liefde, die 'k oprecht u schonk, niet zou bezwyken, En hebbende alles, om uw oogen te doen blyken Door welk een trouwe vlam myn hart zo vierig brand,

Myn Vrienden, Vader, en het waarde Vaderland Verlaaten; weet hy, dat zyn min, schoon opgewoogen Met duizend kroonen, op dit hart niets zou vermoogen. Thezeus. Zo groot een min maakt my beschaamd. Hoe meer, Mevrouw, Dat ik myn schuld zie. . . . Ariadne. Zie een proef van myne trouw; 'k Wil me aan u vaster, door Pirithoüs, verbinden, Wiens trouw en vriendschap wy zo lang volmaakt beminden. Myn Zusters huw'lyk meng' zyn lot en 't haare in een, Op dat de vriendschap als de liefde ons zy gemeen. Ze is jong, ze is schoon, en haar verdiensten te waardeeren. Zy volgt myn raad reeds, 'k staa u in voor haar begeeren. Gy kunt Pirithoüs gaan vinden, en hem raân, Op onze keur, zo groot een huw'lyk aan te gaan. Thezeus. De aanbieding van dees echt zal hen gelukkig maaken. Maar, als de Koning . . . . Gy wist lang zyn hevig blaaken. Kan ik . . . . . Ariadne. Ik kan 't verstaan. De Koning, fel bestreên Van min, waant gy, kon licht zyn deugd te buiten treên. Ik zie uw minnezorg, die my niet kan mishaagen. 'k Weet wat ik doen moet om die uit uw hart te jaagen. Thezeus. 't Is al te veel. Dat hart . . . ô Goôn! . . . Ariadne. Wat zyn my zoet Die teed're ontroeringen van uw verliefd gemoed! 'k Zeg 't my voor u; 'k zeg my . . . . Thezeus. Ach! wilden het de Goden!

Gy wist den dwang . . . . Ariadne. Noch eens: waar toe is meer van nooden Die minnenydige vervoering? Ja ik weet Wat zorg u smart. En zo ik word bemint, wat leed Hebt gy daar van, en welk een reden om te klaagen? Thezeus. Maar, zo u Minos wraak vervolgen mogt en plaagen, Hebt gy . . . . Ariadne. Heb ik aan u geen toevlucht voor zyn magt? Thezeus. Ze is zeker: maar . . . . Ariadne. Wat maar? Volëind. Thezeus. Mevrouw, ik wacht . . . Ariadne. Gy wacht te lang, zo zeer verrukt en opgetoogen. Thezeus. Kan ik meer veinzen? . . Maar, genoopt van mededoogen . . . Ariadne. Neen, die wanörde duurt te lang, tot myn verdriet. Verklaar u eindelyk. Thezeus. Ik wil, en durf toch niet 'k Ben tegen my, en schyn zelf tot myn val te nygen; 'k Hoop een toestemming, en ik vrees die te verkrygen. 'k Moet echter spreeken. Gy bemint my, en mischien Heeft niemand schooner noch volmaakter vlam gezien, Om een doorluchtig hart te blaaken; en myn leeven Is niet genoeg om 't in erkent'nis u te geeven:

En midd'lerwyl het lot, benydende vast stil Myn glory, door een dwang zo doodlyk aan uw wil. . . . Vaar wel: Pirithoüs zal 't ov'rige u doen hooren: Doch, buiten 's Konings Echt, zo weiger hem uw ooren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove