Darde tooneel.
Mariamne, De Sipier.
De Sipier.
Mevrouw, men wacht u straks beneden in de zaal,
Uit last des Konings.
Mariamne.
Welk een aangenaame taal,
En tyding, die 'k al lang gewenscht heb met verlangen.
Van waar komt u dees angst, welke u zo schynt te prangen.
De Sipier.
Om dat ik heb gezien, op 't buitenhof, Mevrouw,
Uw trouwe burgery, afbeeldende in hun rouw,
Door leevendige smart, en dood'lyke ongenuchten,
Door droevige schreijen, bang geklag en naare zuchten,
't Rechtvaardig medely voor uwe majesteit.
't Meld uw rampzalig lot.
Mariamne.
't Is ydel, dat men schreit
Om zulk een lot, dat ik zal, tot myn heil, genieten. . . . .
Maar 't wachten mogt hen hier benenden licht verdrieten.
Ga, zeg, dat hun geduld een weinig noch vertoeft.
'k Zal, eêr ik kom, aan myn Staatjuffers, die bedroefd
Myn ramp beklaagen, op het einde van myn leeven,
Omdeelen 't geen my hier noch over is gebleeven.