Vierde tooneel.
Kassandra, Orestes, Ismene.
Orestes. Mevrouw, ach! wat ik hoor! Wat hoop geeft aan de min myns Vaders ruimer spoor? Hoe! zou dit huwelyk en 's Konings hevig blaaken Gevallen aan uw hart? Zou zich uw bloed verzaaken?
Kassandra zonder wraak en zonder gramschap zyn, En zien het leed van Zoon en Moeder zonder pyn? Behaagt Kassandra (Goôn! wat zaak betreft my nader?) Mycenens heerschappy en 't huw'lyk van myn Vader? Zal ik geloof slaan, ach! aan zulk een droeve smart? Kassandra. Een lot verbind ons beide, in weêrwil van myn hart, Voor eeuwig. Orestes. Groote Goôn! voor eeuwig? welke plaagen! Die Trojaanin, wiens haat gantsch Griekenland moest draagen, Zy die myn Vader voor haar grootsten vyand hiel, En, ingenomen met haar Goden in haar ziel, De Liefde en 't huw'lyk als een vloek met haat'lyke oogen Aanschouwt heeft! Zy, die steeds scheen met myn leed bewoogen! Zy, die den Zoon niet met den Vader in haar haat Gelyk vermengende, scheen door deeze eed'le daad My voor haar vriend uit haar vyanden te verklaaren! Zy, ja zy zelf kan my dit huw'lyk openbaaren! En Agamennon word van haar geächt, bemint, Terwyl ze Orestes hoop in wanhoop wreed verstind! Kassandra. Verdiende ik immer dit verwyt door myne daaden? 'k Blyf Griekenland en myn Verwinnaar noch versmaaden; 'k Bewaar den Goôn, die 'k dien, volmaakt myn pligt en trouw; 'k Heb achting voor uw deugd; 'k beklaag uw leed en rouw; In 't einde, ik wilde . . . Maar ik heb geen 't minst vermoogen: 'k Word als Slaavin, ja als een offer voortgetoogen Naar 't bloedig slagtältaar, in weêrwil van myn zin, Om 't noodlot te voldoen, zo veel als 's Konings min. De groote Goden zelfs, de wet en stem der Goden, Die overheerschende my porren door geboden, Verwonnen eind'lyk tot dit huwelyk myn wil.
Myn overweegend hart stond voor die keur lang stil; En de eerzucht heeft, hoe 't ook by u werde opgenomen, Gelyk de Goden, my tot dit besluit doen komen. Maar ach! wat zeg ik? 'k Hoor, in 't midden van myn druk, Een Hemelmagt myn hart noch raân tot uw geluk; Een Magt, wiens zoeten naam myn mond niet uit durft spreeken; En Magt, die noch myn rust komt om uw leeven breeken. Wat gramschap had gy niet, van alle hulp beroofd, Door myne weigering zien storten op uw hoofd! En eindelyk, wat zou een Koning niet beginnen, Die minnenydig is, en alles kan verwinnen, Een Medeminnaar, en een Vader al te wreed! Ach! ga, myn Heer; ontvliê zyn gramschap, en uw leed. Volg uwe Moeder, daar u Sparte hulp zal bieden. Verlaat uw minnenyd, wil zonder marren vlieden Van zulk een Koning, noch rampzaliger dan gy, En meer beklaagens waard in al zyn dwinglandy. Orestes. 'k Zie al te wel den grond van zulk een droevig raaden. Gy bant Orestes uit uwe oogen en genaden, En gy vervloekt hem meer dan ge uw Verwinnaar doet: Gy vleit my, om myn hart met zulk een bitter zoet Noch meer te pyningen door duizend wreede dooden. Begeeft ge u naar 't altaar uit last van uwe Goden? Helaas! gy stemt deez' Echt veel eêr zelf aan dan af. Gy vreest om my, Mevrouw, de gramschap en de straf Van Agamemnon; die min vreeslyk schynt te wezen En min barbaarsch dan gy, die 'k meer dan u moet vreezen. Voltrek dit huw'lyk dan, myns Vaders grootste schand'; Myn Moeders vrees; en, ach! de wanhoop van myn brand. Zoek voor uw heerszucht in Mycenen grootsche Staaten: Ik, dus vervolgd van Goôn en menschen, die my haaten, Verlaat myn Ouders, Troon en Land: 'k zal eeuwig vliên
Myn wreede Minnaares om nooit haar weêr te zien. Ik geef my blind'lings aan myn noodlot en haar vloeken. 'k Verfoei het leeven; 'k ga de dood uit wanhoop zoeken. Vaar wel, Mevrouw.
Cookies on Poetry Cove