Derde tooneel.
Orestes, Pylades.
Orestes.
Wat hoor, wat voel ik? Goôn! den grootsten slag myns levens:
In dit eene ongeval alle ongevallen tevens.
't Schynt dat de Hemel, die myn leed voorzei, 't begin
Van al myn rampen toont door deeze wreede min.
Pylades.
Voorkoom die doodelyke en zo gevreesde slagen:
En wyl ge uw ongenaâ moet door uw liefde draagen,
Zo stuit haar loop, myn Heer; verberg u voor den haat
Des Hemels, die op ons zyn gramschap vallen laat.
Het voorbeeld van den Zoon laat dat den Vader leeren.
Gy ziet Kassandraas gunst, by u zo waard, verkeeren;
En dat doorluchtig hart, voor alle Minnaars schuw,
Dat, zo gy meende, had meêdoogendheid voor u;
Dat hart, het geen gy dacht dat zich voor u zou houwen,
Zal in uw aangezicht haar Overwinnaar trouwen.
Orestes.
Wat zegt ge, Pylades? Heb meer eerbiedigheid
Voor haare deugden en vergoode Majesteit.
Hoe! zou Kassandra dan . . . ô Neen! het kan niet wezen.
'k Verdiende al haaren haat, indien ik dit dorst vreezen.
'k Moet hiermeer lichts in zien.