Darde tooneel.
Eudoxe, Trasimond, Camille, Ispar.
Trasimond. Helaas! myn Vader! ach Mevrouw!
Eudoxe. Wat ik moet hoopen geeft my uw gezicht te lezen. 'k Weet 's Vorsten wreedheid, die my doodelyk zal wezen. Trasimond. 'k Hield onöphoudlyk aan, Prinses, met myn gebeên: Maar ik won niets op hem. 'k Heb zelfs, met kracht van reên, De eer en gerechtigheid, de godgeheiligde eeden De Keizerin gedaan, met alle plegtigheden, Het recht der majesteit in haar vertreên, met schand', Haar heerelyken stam, verwoesten staat en land, De slaaverny, daar zy geduurig van zal klaagen, In alle eerbiedigheid vergeefs hem voorgedraagen. Ik heb by Genserik gedaan al wat ik kon; De min, die, buiten zyn verlof, myn hart verwon, Verzweeg myn mond, uit vrees of zy hem mogt verstooren. Eudoxe. Ach! moest myn Moeder, zo rampzalig, in haar tooren, Om over Maximus, en zyn vervloekt geweld, Haar wraak te neemen, onder meenig dapper held, En bondgenoot, dan juist uw Vader met zyn troepen, En oorlogsmagten in haar Ryk tot bystand roepen? Of zo 't geval door hem beslooten had, om wreed Ons op te leggen zo veel ongeluk en leed, Waarom, myn Prins, waarom heeft u Natuur het leeven Dan door dien wreeden, my zo haatelyk, gegeeven? Trasimond. Wat hoor ik, myn Prinses helaas! ik had gedacht, Dat zulk een teed're min, zo trouw, zo groot van kracht, Die dag op dag de smart komt in myn ziel vergrooten; U deê vergeeten 't bloed waer uit ik ben gesprooten. Doch 'k heb myn hoop vergeefs gevleit tot myn verdriet: Want gy vergeet myn vlam, maar myn geboorte niet;
En schoon de liefde al, in myn ongelukkig blaaken, My een gelukkig uur of oogenblik deed smaaken, Waar in ik was geheel het voorwepr van uw min, Zo zou, helaas! zo zou de fiere Keizerin, Wiens gramschap, haat en wraak het alles streeft te boven, In myne traanen licht uitblusschen, en verdooven 't Vuur dat meêdogendheid, en liefde . . . Eudoxe. O welk een smart! Ach! gy doorgrond noch weet het binnenst van haar hart. Trasimond. Ik zou daar voor myn min niets als versmaading vinden. Eudoxe. Haar haat maakt onderscheid in vyanden en vrinden; Zy zoekt van 's Vaders schuld in de onschuld van den Zoon Geen wraak te neemen van haar bitt're smaad en hoon; En 't is me een vreugd, wanneer ze zucht om haare plaagen, Dat zy van u spreekt met een zonderling behaagen. Trasimond. Van waar, Mevrouw, komt my dit onverwacht geluk? Eudoxe. Die dag toen Genserik, door 't grootste gruwelstuk, Het prachtig Romen deed met vuur en staal verteeren, Zag zy u 't wreede woên der snoô soldaaten weeren, Terwyl gy, met den val der groote stad begaan, De onnooz'le burgery zelf weest een schuilplaats aan: Zy weet ook hoe gy tot haar vryheid zyt geneegen, Dat gy den Vorst hier toe poogt staadig te beweegen; Zy onderscheid met reên uw onschuld van zyn schuld, Ja, haare ziel is met uw eed'le deugd vervuld. Trasimond. Wat kan haar vriendschap my volmaakte vreugde geeven?
Tot welk een droefheid had haar haat my niet gedreeven? 'k Heb honderdmaal gezegt, aan myn verliefd gemoed: Wat zal myn Schoone doen in zo veel tegenspoed, Die tegen 't kwaad geval, en wat het kan bereiden, Om harten, vast verknocht, te scheuren en te scheiden, Niets heeft tot hulp, als slechts een weerelooze min? Zy zal ook aan den wil haar 's Moeders hart en zin Opöfferen, wiens wraak ik eeuwig heb te vreezen, En, ach! ik zal getrouw, en ongelukkig wezen. Doch 'k voel nu dat myn min door u weêr hoop geniet. Men draagt my achting toe, 't is waar: maar als men ziet, Hoe ik uw vryheid, als 't gewigtigste aller zaaken, Behartig, op dat gy zoud aan uw wensch geraaken; Ja, als ik álles waag, daar my de min toe leid, Zo neemt men dit alleen voor edelmoedigheid. Eudoxe. Neen, men bedriegt zich niet, of zelden, in de blyken Van liefde, die alom zich zelve doet gelyken, En, door haar tederheid, licht een verliefde ziel Kent van een hart dat zich maar edelmoedig hiel. Uw deugden kunnen haar tot dankbaarheid verwekken, En als ik, 't geen zy my vertrouwde, u dorst ontdekken, Myn Heer . . . Doch, waar toe dit verhaal, 't geen my ontroert, Waar van 't voorneemen nooit kan werden uitgevoert? Trasimond. Met wat ontsteltenis komt gy myn ziel doorsnyden, Om uwer liefde wil, ontdek u aan myn lyden. Welk een geheim verbergt ge aan myn verlangdend hart? Verklaar u, of ik sterf ván hoop, van vrees, en smart. Eudoxe. Helaas! wat perst ge my! moet ik 't u dan ontdekken? Indien uw Vader aan myn Moeder het vertrekken
Had toegestaan, en dat zy voornam, om, myn Heer. . . Myn schaamrood aangezicht, verbaastheid, pligt en eer . . . 't Verstand is my bedwelmt. Trasimond. Ach! wil u doch verklaaren, Myn tweede Ziel! Eudoxe. Kan ik wel meerder openbaaren, Dan als ik zucht, en bloos, en staamel in myn reên? Trasimond. Hou die vervoering, zo vol bekoorlykheên, Niet meer verborgen, ei! of laat my liever sterven Van liefde, nu 't geluk my doet uw gunst verwerven. Door wat byzond'ren dienst, door welk een kloek beleid, Geeve ik de Keizerin blyk van myn dankbaarheid? Laat ons, gevleid door hoop, die my behoud het leeven, Haar staat herstellen, en de vryheid weder geeven. 'k Heb hier toe noch een hoop, tot troost in uwen rouw; Ik weet dat Hunnerik, myn Broeder, door de trouw, Zich nu zal eind'lyk aan Sophronia verbinden: 'k Was altoos de eerste in rang van haar geheimste vrinden; En myne Broeder is des Konings gunsteling, Van wien men licht, door haar, het geen men wenscht ontfing, Indien gy toe woud staan dat ik in haare handen 't Geluk myns leevens mogt vertrouwen en verpanden. Eudoxe. Myn hartsgeheimen zyn alleen aan u bewust. Doch zo 't u maaken moet een zachter lot en rust, Dat aan Sophronia 't geheim van onze zinnen Ontdekt werd', dat zy weete ons onderling beminnen; Zo waag het dan: maar laat het door u zelfs geschiên. De Hemel geef dat zy u meerder hulp mag biên, Als ik van 't lot, en van haar vriendschap, kan verwachten.
Cookies on Poetry Cove