Zesde tooneel.
Wenseslaus, Ladislaus, Octavius.
Wenseslaus.
Hoe! Prins, is 't moogelyk? Waagt gy, in myn gezicht,
Zo los, zo kwaalyk, door uw spoorelooze vlaagen,
De hoop der kroon, en 't Hoofd, 't welk meent die kroon te draagen?
Ladislaus.
Heer, gy zyt Koning, en gy kunt die hoop alleen
My weêr beneemen, naar uw wil en zinlykheên.
Doch, myn gerechte spyt, getergt door een Verraader,
Ontfangt geen wetten van een Koning, noch een Vader.
Wenseslaus.
En ik veel minder van een Zoon, zo stout als dwaas.
Denk aan uw hoofd. Gy zyt gewaarschuwd. 'k Gaa.