Darde tooneel.
Ariadne, Phedra.
Phedra. 't Verwondert my dat gy zo haast uw toorn kunt staaken, Terwyl ze op Thezeus straks scheen zo verwoed te blaaken. Ariadne. Wat zoude ik doen? Kan ik het noodlot tegenstaan, En Thezeus trouwloosheid, myn Zuster, wel ontgaan? Hy wil my lyden zien: ik ly met hart en zinnen Geduldig. Phedra. Kunt gy dan uw liefde reeds verwinnen?
Die liefde, welk diep zich drukte in uw gemoed? En, zo gevoelleloos, u aan een and'ren gloed Verpligtende . . . . Ariadne. Ik heb niet belooft of zal het houwen. Hy trouwe een and're als my, ik zal den Koning trouwen. Phedra. Hoe! stemt gy toe dat hy een and're in uw gezicht Zal trouwen, daar gy hebt zyn min zo dier verpligt? Hoe! zoud ge in de armen van een ander, zonder schroomen En schrik hem kunnen zien. . . . Ariadne. Waar is het toe gekoomen? Hem zien in de armen van een ander! 'k Veins niet meer, Myn Zuster, ik bemin; en ik bemin noch teêr. Ik ben ontdekt; dies zal ik u myn hart verklaaren. Na zo veel liefde, trouw, en doorgestreên gevaaren, Zou hy me loonen met zo groote ondankbaarheid? Hoe! zou, na dat myn vlam is tot myn schand' verbreid, Myn Medeminnaares daar van de vruchten plukken? Neen, 't zal voor altoos haar dien toeleg doen mislukken. Ik moet haar kennen, maar bedekken 't hevig woên Van myn gehoonde min, en niets haar doen vermoên, Op dat de slag haar moog' zo veel te zwaarder weegen; Daarom heb ik geveinst, gantsch tot de wraak geneegen, Dat trouw van Thezeus toe te staan: 'k trok op myn zy Den Koning, om door hem het Voorwerp, daar men my Om haat, te kennen. 'k Hoop hier in uw hulp te vinden; De zusterlyke pligt moet u hier toe verbinden, Niet twyfelende of gy, uit dernis met myn leed, Vervloekt d'Ondanb'ren in uw toorn. Phedra. Mevrouw, gy weet . . .
Ariadne. Ik weet uw trouw, en 't is by u dat ik, met klaagen Myn hart uitstortende, verlichting voel by vlaagen, 'k Had, eêr ik kon vermoên zyn openbaar geweld, Reeds met Pirithoüs uw huw'lyk vastgesteld: En zulk een nieuw bewys van trouw, dat niets kon baaten, Moet u noch meerder myn Meineedigen doen haaten. Verneem omzichtig, aan het hof, wat dat men zeid Van myn gehoonde min, en zyne trouwloosheid. Spreek met Megiste en Egle om haar gemoed te ontdekken; Met Ciane voor al, om uit haar hart te trekken 't Geheim: door haar nam eerst myn minnenyd begin. Gy weet hoe kwaalyk dat men heelen kan de min. Geeft acht op haar gelaat, verbaasheid, zwygen, spreeken, En zuchten. Phedra. Na dat my dit alles is gebleeken, Heb ik te grooten deel hier aan, om 't met beleid Niet uit te voeren. Maar hebt gy u reeds bereid Om, door de hette van uw wraakzucht aangedreeven, Uw Medeminnaares te treffen? Ariadne. Om te geeven Een wreede straf aan myn Tieran, moet ik hem slaan Daar hy 't gevoeligst is, en minst kan tegenstaan. Oordeel gy zelf hier van. Ik ben om haar verlaaten; 'k Raak alles kwyt om haar: kan ik te veel haar haaten? Te veel toe geeven aan myn toorn, die my verbind Om de allerfelste wraak te neemen? Neen, ik vind, Op zuk een hoon, niets dat myn woede kan bepaalen. Myn Zuster, hy kan dit niet dier genoeg betaalen. Zo Thezeus had myn min vergeeten, en zyn pligt Geschonden in het hof myns Vaders, ik had licht,
Hoe zeer my ook de spyt had heim'lyk moogen knaagen, Zyn onrechtvaardigheid vergeeven en verdraagen. Myn Medeminnaares, zou 'k zeggen, heeft de vlam En de offerhand' van 't hart, dat my alleen toekwam, Beminnen kunnen, zonder schuld, of kwaad te vreezen, En 't hart geraakt door 't zoet van teêr bemind te wezen: Zo heeft zy haar belang voor 't myn' gestelt met reên: Maar, wezende hier vreemd, verlaaten van elk een, Om dat ik hem te licht vertrouwde, en in zyn handen Opöfferde alles, zelfs myn glory, tot myn schanden, Kwyt wezende alles, door myn lichtverleide trouw, Geloofde ik dat zyn hart me alleen toekomen zou. Maar, ach! 'k verloor het: ja, men heeft het my ontnoomen. Myn wraak zal my den prys daar ruim voor doen bekoomen. 'k Waardeert het hoog: hy schrikk' hier van, die snoô Barbaar! Phedra. Deeze onverdachte slag, 'k beken 't, is smart'lyk. Maar Hoe zult ge, als gy haar kent die Thezeus trouwt, u wreeken? Ariadne. 'k Zal haar gaan vinden, zien, en met myn hand doorsteeken, Een degen wringen in haar boezem; ja, ik zal, Om best te heelen 't leed van myn bedroefd geval, Den slag haar geeven, doch voor de al te schuldige oogen, Van myn Meineedigen, door wien ik ben bedroogen, En treffen, door haar hart, in 't zyne, met al 't wee, Dat een verwoede spyt en wroeging immer leê. Dus zal ik my den weg tot alle zoetheid baanen: 'k Zal lagchen daar hy weent, als hy deê met myn traanen. Zo weet hy, op zyn beurt, welk een verdriet men draagt, Als 't hart vergeefs 't verlies van 't geen het mint beklaagt. Phedra. Uw Medeminaares schond nooit de trouw noch de eeden, Die hy u schuldigh is: en licht beklaagt ze u heden,
En stemt zyn liefde toe met duizend moeilykheên. Ariadne. Daar 's geen vergiffenis voor haar, myn Zuster: neen, Zy zal meê schuldig zyn, en in de misdaad deelen, Terwyl zy zich verbergt. Myn smart is niet te heelen, Noch myne schande en smaad te zuiv'ren, dan met bloed. 't Is waar, ik zou het hart van Thezeus gantsch verwoed Doorstooten kunnen: maar zo ik dit durf besluiten, Hoe zeer ge ook poogen mogt 't woên van myn hand te stuiten, Myn dood, schoon hy my is zo trouweloos geweest, Zou zyne volgen; en de drift van mynen geest, Om te verëenigen met hem, straks op myn leeven Zo haast hem wreeken als hem straffen, aangedreeven . . . Maar neen, zyn ontrouw had te zacht een lot, zo 'k laf Met zyne dood myn wraak bepaald; en zyne straf. Breng alles zaamen, om hem wreeder te bederven, Op dat, is 't moog'lyk, hy mag duizend dooden sterven. Wat wanhoop zal hem dan verbyten het gemoed, Wanneer myn hand, noch rood van zyn Bemindes bloed, In dit noodlottig uur, zal met den Koning trouwen, Om hem te tergen door dit doodelyk aanschouwen! En, zynde noch niet heel gebannen uit zyn hart, Denk, denk dan hoe dit zal verdubb'len zyne smart, Zo 'k voor een andre als hem in zyn gezicht zal leeven. Phedra. Maar, om aan 's Konings hand uw hand en trouw te geeven, Voelt ge in uw ziel . . . . Ariadne. Daar baart de wraakzucht deeze min, Die 'k toon voor Enarus; het zy de wraak hier in My zelf bedriege, of dat die keur my zal gelukken. Een sterke hartstocht kan de ziel maar eens verrukken. Dus is my 's Konings Echt tot straf in deeze spyt.
Maar 'k ben myn hart de pyn, die 't daarom droevig lyd, Wel schuldig: ja, dit hart, dit hart heeft my bedroogen. 'k Heb Thezeus min hier door te gulzig ingezoogen. 't Verried my, 'k moet het op myn beurt op 't wreedste weêr Verraân; ja, wreeken my, terwyl 't, zo laf als teêr My Thezeus pryzende, niet overtuigd kon wezen, Dat ze een lichtvaardige en bedrieger had gepreezen. Maar 'k zie hem, Goôn! men veinz':bedwingen we ons gelaat, Op dat hy niet ontdekk' myn wraakzucht, list, en haat.
Cookies on Poetry Cove