Laatste tooneel. Herkules, Philoctetes, Lichas, Kleon, Gevolg.
Kleon. Zy heeft zich zelf gestraft. Helaas! ik zag haar 't leeven In de armen van Phenice uitblaazen, bang en naar. Zy riep al stervende, met een verwoed gebaar: O wreede Nessus! gy hebt u genoeg gewrooken Van uwe dood: 't heeft u geenszins aan list ontbrooken: Gy hebt daar toe myn hand gebruikt, en my verraân. Ach! ach! vervloekte hand! zie wat gy hebt gedaan. En gy, trouw'loos Gedrogt! geeft dus uw bloed my weder 't Hart van Alcides, dien ik minde trouw en teder? 't Kleed, met dat bloed geverwd . . . . . Herkules. Wat hoor ik! Kleon. Myn Held. . . . . . Herkules. Ach! 't is genoeg. O Dood! die my bekoort, Gy zyt het welken my 't Orakel lang voorspelde,
Als My een eikeboom in 't bosch van Cirra meldde, Dat noch de Dood van den Verwonneling eerlang Noodlottig baaren zou 's Verwinnaars ondergang. Ja, ja, 't is Nessus bloed, 't geen my moest eind'lyk dooden. Ik zie myn noodlot nu vervuld, en dank de Goden, Getuigen van myn smart; en nu ik zeker weet Dat ik moet sterven, is het sterven my niet wreed. Ik voel myn krachten reeds verflaauwen en verdwynen, Maar geenszins 't vuur, 't geen dringt, met duizend wreede pynen, In dit rampzalig hart, en scheurt myn borst van een. 'k Ben Herkules niet meer, gelyk ik was voorheen. Doch, als myn geest is van dit sterf'lyk deel ontslagen. . . . . Philoctetes. Ach! Herkules. Laat myn ligchaam dan terstond op Eta dragen, Een berg aan Jupiter gewyd: daar 's my voorzeid Dat ik verkrygen zal met vreugd de onsterf'lykheid. Ik zie my reeds den weg tot hooger glory baanen. Maar, 't is me onmoogelyk zieltoogende uwe traanen Te zien, daar 'k van de Goôn een zachter lot verwerf. Leef, leef gelukking, Prins. Vaar eeuwig wel! ik sterf.
Einde van het Vyfde en Laatste Bedryf. MDCLXXXVIII.
Cookies on Poetry Cove