Vyfde tooneel.
Prusias, Flaminius, Arsinoë, Attalus, Cleone, Araspes.
Araspes. Myn Heer, 't volk rot nu meer, dan 't immer deê voorheen, Van alle plaatsen zaam. Uw Lyfwacht zelf, te onvreên, Verloopt van tyd tot tyd, en alles doet my vreezen, Dat Nicomedes in myn magt niet lang zal wezen, Ik kan niet langer voor hem instaan. Prusias. Laat ons dan Dit Voorwerp van 's volks gunst, zo dra men immer kan, Hen geeven. Laaten wy dit volk vol trouwloosheden Gehoorzaam zyn, daar zy, hun Konings magt vertreeden, Een ander kiezende; laat ons voldoen hun eisch, En, uit de vensters van ons koninglyk Paleis, Vorst Nicomedes hoofd zyn waardige onderdaanen Toewerpen, om een weg tot stilstand hen te baanen. Attalus. Helaas! myn Heer . . . .
Prusias. Zo komt hy weêr voor hun gezicht. 'k Ben dit aan 't volk, dat hem zo eischt, op 't minst verpligt. Attalus. Helaas! myn Heer, hier meê zult gy ons aller leeven, Dat u getrouw is, aan 's volks dolheid overgeeven, En gy loopt zelf gevaar van hunne spoorloosheên. Prusias. Men moet dan volgen straks 't begeeren van 't Gemeen, En Nicomedes, met myn kroon, hen zelf opdraagen. 'k Heb dan geen and're keur, als die van hun behaagen; En, blyft het meester, in myn leeven in 't geweld Van die hen ophitst. Flaminius. Schoon uw opzet waar verzeld Van 't recht, staat 's Prinsen lot, myn Heer, aan uw behaagen? Hy is, als Gyzelaar, aan Romen opgedraagen, Uw Zoon niet meer: en als zyn Vader dit vergeet, Moet ik 't onthouden, en verklaaren, al het leed, Dat hem mogt treffen, zal my zelf ook overkoomen: 'k Moet voor hem instaan by den Raad en 't Volk van Romen. Zo gy hem kwyt wilt zyn, daar 's een geheime poort Aan uw Paleis, waar door men hem licht ongestoord Brengt aan de Haven, daar myn Zeegalei gelegen Reisvaardig wacht. Indien gy hier toe zyt genegen, Zo staa my toe dat ik vertrekke, op dat elk ziet Dat Romen, niet zo wreed, een zachter wet geniet. Bestaa niet, tot haar hoon, beroofd van mededoogen En pligt, haar Gyzelaar te dooden voor myne oogen. Arsinoë, tegen Prusias. Zult gy my hooren, u verlaatende op myn trouw? Prusias. Al wat van u komt, dat behaagt my; spreek, Mevrouw.
Arsinoë. De Hemel stort my, door zyn gunst, iets in gedachten, 't Geen gy noch Romen, als mishaaglyk, kunt verachten. Zo de Afgezant reeds tot vertrekken vaardig is, Hy voer' zyn Gyzelaar meê zonder hindernis. Die heimelyk weg zal ons veel voordeel geeven; En, op dat niemand mogt uw aanslag tegenstreeven, Vertoon u aan het volk, en vlei het met gebeên; En, onder schyn van in verdragh daar meê te treên, Zo hou het listig op, tot dat men buiten vreezen Uw schip met hem, 's volks hoop, verzekerd denkt te wezen. Indien 't dan dringt in uw Paleis, en hem niet vind, Toon u verwonderd, en gelyk als zy gezind: Geef Romen dan de schuld, hen hoop van die te wreeken. Wanneer het daglicht aan den hemel door komt breeken, Zo laat de vluchtende najaagen: toon uw vlyt, Als of hy achterhaald zou zyn in weinig tyd; Terwyl gy duizenden beletsels kunt verwekken, Om uwe staatslist voor elks oogen te bedekken. 't Zal midd'lerwyl, zo lang 't met zorgen is belaân Voor Nicomedes heil, niets durven onderstaan: Maar blyft hy hier aan 't hof, zo is voor ons te duchten, Dat, hy vry wordende, wy zullen moeten vluchten: Want zo 't Gemeen den Prins tot hoofd krygt, zal 't de Kroon Hem zeker geeven, straks hem zetten op uw troon. Ik stel dit aan u zelf. Prusias. Ach! 'k merk in onze kwaalen, Dat van de Goden in uw hart die raad komt daalen. Myn Heer, wie vind voor ons een nutter? Flaminius. Deeze raad Behouwt uw leeven, en uw vryheid, eer, en Staat,
En Laodise is, als voorheen, in uw vermoogen, Maar al ons voordeel, zo gy langer toeft, vervloogen. Prusias. Maak straks begin. Arsinoë. Laat toch Araspes maar alleen, Met drie soldaaten, u verzellen derwaarts heen, Uit vrees dat onder meer mogt schuilen een verraader. 'k Ga my verzekeren van Laodise, en nader Haar gaâslaan. Attalus, wat gaat gy doen? Attalus. Terstond 't Gemeen misleiden; by de listen, die gy vond, Noch and're voegen. Arsinoë. Stel geduurig u voor oogen Hoe dat myn lot is 't uwe, uw welstand al myn poogen, Dat ik, om uw belang, ontzie gevaar, noch dood. Attalus. Ik zelf zal sterven, of u redden uit den nood. Arsinoë. Ga dan, myn Zoon, ga heen. 'k Zie Laodise koomen.
Cookies on Poetry Cove