Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Tweede tooneel.

Laodise, Nicomedes, Attalus.

Attalus. Hoe! zult ge altoos zo stuursch van wezen en van zinnen, Mevrouw, my aanzien? en zal ik nooit van u winnen Zulk een geliefde lonk en vriendelyk gezicht, Waar meê gy harten wint, en tot uw dienst verpligt? Laodise. Is myn gezicht te stuursch om aan uw hart te raaken, Ik zal, wanneer 't my lust daar toeleg op te maaken, Een opslag geeven, die het lichtlyk meer bekoort. Attalus. Dat waar vergeefs, daar u myn hart reeds toebehoort. Laodise. 't Is dan onnoodig om myn stuursheid op te klaaren. Attalus. 'k Bid, nu gy 't hebt, dat gy het gunstig wilt bewaaren. Laodise. 'k Verkreeg het te onrecht; dies stel ik 't weêr in uw magt. Attalus. Gy houd het niet, om dat gy 't al te weinig acht. Laodise. 'k Acht u te veel om u de waarheid niet te zeggen. De plaats, Prins, is vervuld daar ik uw hart moest leggen. Ik heb 't u meer gezegt, en ook verzocht dat gy Hier van doch nimmer weêr zoud reppen jegens my. 't Is wel voor eens, maar dit vervolgen staat my tegen. Attalus. Hy is gelukkig die dit voordeel heeft verkreegen. Maar welk een vreugd waar 't, zo 'k hierom met hem vol moed Mogt slaan, en van de plaats verwinnaar wierd gegroet.

Nicomedes. Die plaats te winnen zou licht meenig dood'lyk wezen. Deeze Overwinnaar, dien gy nimmer zaagt voor deezen, Bewaart het zyn' te wel; en nooit wist iemand, dat Zyn vyand plaats herwon die hy genoomen had. Attalus. Men kon op deeze plaats wel zulk een aanval maaken, Dat hy die ruimen moest, en zyn verweering staaken. Nicomedes. Misschien bedroogt ge u zelf. Attalus. Maar zo 't de Vorst begeert? Nicomedes. De Vorst, die wys'lyk, en rechtvaardiglyk regeert, Zal niet begeeren 't geen zyn magt niet kan voltrekken. Attalus. Hoe! waar toe kan de magt der Majesteit niet strekken? Laodise. Spreek niet zo stout, myn Heer, met zulk een fieren zin. Zo hy een Koning is, ik ben een Koningin. Zyn magt kan niets op my, dan dat ik wil, begeeren, En zyn gezagh me alleen verzoeken, niet regeeren. Attalus. Maar dus te spreeken is vaak al te veel, te vry Voor Koninginnen, die zyn buiten heerschappy, En zonder magt aan 't hof van and'ren. Doch zo 't smeeken Des Konings niet vermag, zal Romen voor my spreeken. Nicomedes. Hoe! Romen, Heer? Attalus. Ja, Romen: twyfelt gy? Nicomedes. Met recht.

Want op wat grondslag dat ge ook uw vertrouwen legt, Zal Romen nimmer naar uw voorslag willen hooren. Zo dra als 't Voorwerp daar ge om blaakt haar komt te vooren, Zal ze in de plaats der hulp, die gy van haar verwacht, Gebelgd zyn, om de schand', haar eerzucht toegebragt, Door een die afhangt van haar grootsch Gezagh en Staaten; Beneemende u, als ge u zult zien van elk verlaaten, Dat heerlyk voordeel van het Roomsche Burgerrecht. Heeft der Romeinen gunst deeze eer u toegelegt, Om dat gy, hen ten trots, een Koningin zoud trouwen? Weet gy dan niet dat zy de grootste Vorsten houwen Veel kleinder dan de minste uit hunne Burgery? Terwyl gy zo lang by hen leefde, om hun waardy Te leeren kennen, zo hebt gy de schrand're vonden Van hun staatlessen haast vergeeten en geschonden. Herneem een hoovaardy, die u en Romen voegt. Tracht dat ge een naam, die elk doet beeven, vergenoegt. Verneder u niet, om uw liefde aan 't welbehaagen Der Koninginne van Armenië op te draagen. Dat huw'lyk was voor uw verdiensten al te onwaard. Gy dient, wanneer gy wilt met glory zyn gepaard, En de achting, die gy by uw Meesters hebt, behouwen, Op 't minst de Dochter van een Roomschen Schout te trouwen. 't Is Romen dat u geeft een recht, zo waard en groot, Daar uw geboorte u had voor eeuwig van ontbloot. Blusch, blusch uw liefde dan, en laat de Koninginnen, By een Romein verächt, van Koningen beminnen, Op dat gy dus de gunst, die gy verwacht, verkrygt. Attalus. Staat deeze aan uw bevel? Gebiê dan dat hy zwygt, Mevrouw: weêrhou hem in zo veel baldaadigheden. 'k Heb, om te zien hoe ver hy buiten 't spoor zou treeden, Myn gramschap ingetoomt, en leed zo groot een smaad.

Maar 'k vrees myn ongeduld, indien hy verder gaat. Nicomedes. Zo 'k recht heb, wat kan 't u, wie dat ik ben, toch baaten? Of smet de Koningin den luister van haar Staaten, Als zy door my spreekt? Zo ge uw min ter zyden stelt, Laat ik u toe dat gy daar 't vonnis zelf van velt. De naam van een Romein, die alles streeft te boven, Is al te waard, dan dat ge u zoud daar van berooven. Zy stond den Koning en de Koningin te duur, Die u, pas vier jaar oud, (verkrachtende natuur, In zich te onthouden van de opvoeding van uw leeven, Een teed're trek, die elk is tot zyn kroost gegeeven,) Naar Romen zonden. Spreek, en oordeel. Is 't geschied, Op dat ze u zouden, tot uw schande en hun verdriet, Die heerlyke eernaam zien verwerpen en verzaaken? En u versteeken, door uw ongeöorloofd blaaken Om een Vorstin, van 't recht der Roomsche heerlykheid? Een schat, die hen, die u naar hooger eertroon leid, Zal yder nydig u. . . . . Attalus. Noch eens. Verlicht myne oogen, Mevrouw: staat deeze aan uw beveelen en vermoogen? Vermaakt hy u zo zeer, dat gy onmooglyk dan Hem 't zwygen kunt gebiên? Laodise. Nu 't u mishaagen kan Dat hy u acht voor een Romein, 'k zal zyn gebreeken Verbeet'ren, en met u als Zoon eens Konings spreeken. U zy bewust dan, dat uw Broeder, welke de eer Heeft van 't Geboorterecht, moet zyn uw Opperheer; Dat gy moet schroomen om hem immer te mishaagen: En 't is uw pligt voor hem eerbiedigheid te draagen. 't Bloed eischt van u dat gy aan hem den voorrang geeft,

En in de plaats dat ge in zyn afzyn, onbeleefd. . . . Attalus. Indien hy tot dien top van eer is opgereezen, Dat hy is de uwe, zo zult gy de myne wezen, Wanneer ge een woord slechts uit uw schoonen mond laat gaan, Heeft zyn geboorterecht my tot zyn onderdaan Gemaakt, uw wil alleen kan de ongerechtigheden Verbeet'ren van het Lot, dat my haat buiten reden. Maar ben ik dan aan hem verplicht zo veel ontzagh, Als Zoon een's Konings, gun dat ik eens spreeken mag Als een Romein, en zo grootmoedig my doen hooren: Hy is van hen niet, die de Hemel heeft beschooren Om Vorsten te gebiên, en van elk hoog geloofd, Te leeven, buiten dwang, en zonder Opperhoofd. De liefde, die myn ziel u toedraagt, kan vertrekken Een edel voorwerp, om my zyn gebied te onttrekken. Weet . . . . . Laodise. Ik weet zekerlyk, dat u myn kroon en staat Meer kan behaagen dan ik zelf en myn gelaat. Maar myne kroon, myn staat, en ik, myn Heer, behooren Aan hem, die over u tot Koning is gebooren; En was hy hier, zo zou uw hoovaardy misschien Hem niet beleedingen, maar vreezen en ontzien. Attalus. Waarom mag ik hem niet aanschouwen, nu myn krachten Gemoedigd door myn min . . . . . Nicomedes. Myn Heer, wil liever trachten Naar iets 't geen minder u kon schade doen: en licht, Waar 't hem bewust, stond hy hier zelf voor uw gezicht, Zich wreekende, om dat gy durft zyn Meestres vervolgen.

Attalus. Baldaadige, durft gy, zo schendig als verbolgen, Verkrachtende uwen pligt, en myn getergd geduld. . . . . Nicomedes. 'k Weet niet wie van ons twee hier heeft de meeste schuld. Attalus. Spreekt gy, my kennende, zo stout en zonder beeven? Nicomedes. ja, 'k weet tot wien ik spreek; en 't kan my voordeel geeven, Dat, ik zynde onbekend aan uw gezicht, geenszins Aan u noch is bewust, wie van ons beide, ô Prins! Aan d'ander eerbied is verschuldigd. Attalus. Welke schanden! Verschoon, Mevrouw, dat myn getergd geduld aan 't branden, Tot wraak, voor uw gezicht. . . . . Laodise. Myn Heer, wil u beraân, Daar komt de Koningin uw Moeder herwaarts aan.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove