Vyfde tooneel.
Wenseslaus, alleen.
Geef my de rust weêr, ô Natuur! in deezen stryd,
Die my zo wreed de ziel van een scheurt en doorsnyd.
'k Staa tusschen beide, en weet niet wat ik zal kiezen.
Indien ik wreek myn Zoon, moet ik myn Zoon verliezen.
Maar, 'k voel nu hoe myn bloed met myn gerechtigheid
Vergeefs zo krachtig heeft geworstelt en gepleit.
't Kon in geen Konings hart dat van een Vader vinden.
'k Heb my hier van, en wat noch meer my mogt verbinden,
Geheel ontslaagen; en ik volg, in deezen staat,
Rechtvaardigheid alleen, en al wat zy my raad.
Maar, hoe! op dit gezicht Ziende Ladislaus naderen. worde ik op nieuw bewoogen.
'k Vind u, ô ydele standvastigheid! vervloogen,
En dat ik Vader ben, die van de menschlykheên,
Natuur, en pligt, noch niet verbasterd is; ô neen!