Slotzang.
Zegent, zegent dan den stond,
Die u beiden heeft gewond,
O gelukkigste aller menschen!
Na lang hoopen, na lang wenschen,
Ziet gy al uw leed verzacht;
En uw blyden bruiloftsnacht;
Schoonen nacht, welke u de weelden,
Die ge u mogt al lang verbeelden,
In een paradyslucht brengt,
Daar ze uw zielen smelt en mengt
Onder een! Ai zie ze daalen
Met veel aangenaamer straalen
Voor uw liefde, als ooit de zon
Op den middag blinken kon!
Nacht, die een maakt van u beiden,
En u gunstig zal geleiden
Daar ge in eindelooze lust
Van uw minnezorgen rust.
Eeuwig moet u die gebeuren,
Van geen haat noch nyd te steuren,
Buiten tegenspoed en druk,
In een onbepaald geluk,
Zingende steeds bruiloftstoonen.
Zo moet God uw huwlyk kroonen.
Den XXIIIsten van Lentemaand,
MDCLXXXVIII.