Op het zelfde huwelyk.
Gy die alleen maar in uw vryheid schiep behaagen,
O schrandere van Zon! gewoon in deezen stand
De min te haaten, en de slaafsche huw'lyksband
Belagchende yder die van liefde kwam te klaagen:
Geen voorwerp, hoe volmaakt, kon u ooit min doen draagen,
't Zy ge aan de Seine, en Teems, of aan 't Toskaansche strand
Volmaakte schoonheên zaagt, of weêr aan 't Y beland,
Gezind waart eenzaam daar te slyten uwe daagen.
Tot eind'lyk 's Gravenhage, uit zo veel goelykheên,
Uw borst blaakt door't verstand en schoonheid van Heleen,
Aan wie Natuur niets van haar gaaven wilde spaaren.
O Bruidegom! die met uw glans haar glans verwon,
Zy zal, gelyk de Maan, het licht van u, haar Zon,
Verkrygen, en uw Echt glansryke starren baaren.
Voor M. Barnsteen.