Tegenzang.
Neen! ô neen! zy is gebonden
Aan een Block, dat over al
Haar gedienstig wezen zal;
Buigzaam door zyn minnewonden,
Van een eed'ler aart en stof;
Aller Blokken eer en lof.
Block die, om haar te bekooren,
Last noch arbeid schat te duur,
Zich opoff'rende aan het vuur
Uit haar lieven glans gebooren,
Daar zyn min, gelyk het goud,
Fyn gelouterd, proef behoud.
Block, alleenig waard te leezen,
De eed'le bloemen, schoon van kleur,
Van schakeersel, glans en geur,
Uit Johannaas vriend'lyk wezen,
En het aangenaame groen
Van haar leevens lentsaizoen.
Block! die haar getrouw zal strekken,
Door een liefde zonder maat,
Een gezegend toeverlaat,
En haar 't zoet geheim ontdekken
Van 't geheiligd huw'lykslot,
Door het minnelyk genot,
Streevende alle heil te boven;
Wie zou haar geluk niet looven?