Tegenzang.
Recht. Natuur vermag alleen,
Om, uit Blokken, en uit Beeken,
Menschenbeelden aan te kweeken,
En met leenig vleesch te omkleên,
Die, als buigzaam wasch, te kneeden,
Schoon van wezen, schoon van leest,
Hen inblaazende eenen geest,
Die haar wetten volgt en reden:
Daar zy 't schepsel, door het stuur
Van haar aldoorzichtige oogen,
Van haar slaapdamp ooit omtoogen,
Wys regeert, en 't eeuwig vuur
Steeds bewaakt, in 't onderhouwen,
Door wiens warmte en lieven gloed,
Zy het al bezielt en voed,
Om haar schoonheid aan te schouwen,
Die 't begrip te boven gaat;
Daar ze, oneindig mild in 't geeven,
Schiep de Liefde met het leeven,
In des Waerelds dageraad,
Om den mensch tot vreugd te strekken,
Als een goddelyke spruit,
En volmaakte Hemelbruid,
Vry van driften, vry van vlekken,
Die, gevolmagt van haar hand,
Kweekt alom een zuiv'ren brand.