Skip to content
1731

Mengelpoezy. Deel 2

Katharina Lescaille

Zang.

Word Johanna, teêr van leden, In het bloeijen van haar jeugd, Zo vol schoonheid, geest, als deugd, En beminnelyke zeden, Reeds gedwongen onder 't jok, En gebonden aan een Block?

Moet zy meê haar vryheid derven. En zo vroeg den schoonen gloed, 't Lelymelk en 't roozebloed Op haar kaakjes zien besterven, Steeds gedrukt in slaaverny, Eeuwig vast, en nimmer vry?

Zal die morgenzon in 't daagen, Nu zy met het flonk'rend licht Van haar vriendelyk gezicht Alle harten kan behaagen, Vleijende met zoete hoop, Dus gestuit zyn in haar loop?

Zal zy dan de maagdereijen, Met haar zang die alles streelt, En by beurten kwetst en heelt, Nimmermeer ten dans geleijen? Zal het huwelyksgareel Smooren 't orgel van haar keel? Mag men haar dan niet beklaagen, Daar ze een Block aan 't been moet draagen?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Mengelpoezy. Deel 2 · Katharina Lescaille · Poetry Cove