Toezang.
Eindlyk land gy in de Haaven,
O Fontein! daar d'eerb're Maagd
Uw volmaakte keur behaagt,
Met zo veel beroemde gaaven.
Hier is 't eind' van uw geklagh,
Van uw zorg, ô trouwe Minnaar!
Zie u zelf nu overwinnaar,
Daar uw zon, by nacht en dag,
Straalen schiet uit schitt'rende oogen,
En op nieuw uw Trouwverbond,
Vast verzegeld aan uw mond,
Door het minzaam mededoogen.
Zo kwam Venus, vol van lust,
Door haar schoone Adoon gevangen,
Aan zyn blanke hals te hangen,
Daar zy, nimmer zat gekust,
Vleit den jongman onder 't vryën,
En zich spiegelt in het licht
Van dat aangenaam gezicht.
Dus zal zy uw ziel verblyën.
Met wat gloed van dankbaarheid,
O Fontein! zult gy haar naaken?
Zie de roozen op haar kaaken,
Door het lelywit verspreid,
Schooner van de schaamte schynen,
Als Diones roozekrans,
Ryk van aangenaamen glans.
Bruigom, doe haar vrees verdwynen;
Pluk ze met uw lippen; pluk:
Zy zal weêr de haare reppen,
Om u nieuwe vreugd te scheppen.
Heerlyk bloei uw Echtgeluk,
Met den wasdom van uw jaaren,
O Bekoorelyke Twee!
Roemryk groei uw vreugd en vreê.
't Zy in uw gezegend paaren
Eeuwig dan, en nimmer nacht.
Gaat, vermeerdert uw Geslacht.
Den IVden van Grasmaand,
MDCLXXX.