Op het zelfde overlyden.
De Doodharpy gaat haaren gang in 't maaijen
Van 's waerelds oogst, hoe zeer men kermt en klaagt.
De Hemelheer, die 't gantsche schepsel draagt,
Heeft vast bestemt hoe 't waerelds lot zal draaijen.
Dies moet het al naar zynen wille zwaaijen,
Waar door hy 't werk volvoert dat hem behaagt,
Zo daar de zon verzinkt, als daar ze draagt,
Om 't aardsche zaad in aardschen grond te zaaijen.
Was weetenschap het bolwerk voor de dood,
En zuiv're deugd; Pommare had den schoot
Van haaren boog zo vroeg niet konnen deeren.
Maar wat lust hier Elias aardsche vreugd?
Hy stygt om hoog, en erft den loon der deugd,
Om eeuwiglyk by God te triomfeeren.