II. Zang.
Die verslyten wil zyn dagen
Buiten eenzaamheid en druk,
Vrolyk 't lot der tyden draagen,
Keur 't gezegend huw'lyksjuk,
Naar Gods wil, besluit en wetten,
Die het eerste Paar de wys
Leerde op bruiloftstoonen zetten,
Hem, en 't Echtebed ten prys.
Welk een heil is hem beschooren;
Welk een onwaardeerbaar zoet,
Dien een Weêrgaâ kan bekooren,
Schoon van ligchaam en gemoed;
In wiens aanschyn, in wiens oogen
Glans en majesteit door een
Blinken, met een groot vermoogen,
Die met aardsch niet heeft gemeen;
Maar, van eed'ler drift gedreeven,
Boven starren, zon en maan,
Kan met haar gedachten zweeven,
En om hoog ten reije gaan;
Daar ze om laag word aangebeden,
Als een licht vol hemelvuur,
Zo volmaakt van geest als zeden!
Zulk een Proefstuk van Natuur,
Met geen schatten op te weegen,
Heeft Heer Blaeu van God verkreegen.