Toezang op het zelfde huwelyk.
O Bruiloftsreijen! wilt nu speelen:
Stelt maat en snaaren: maakt geluid:
Wilt blyde minnedeuntjes kweelen:
Roemt 's Bruigoms waarde, en't schoon der Bruid;
En zegen 't uur, waar in haar zinnen
Genegen wierden om te minnen.
't Begaafde Bruidje, waard te kroonen,
Slaat zelf de maat, en treed u voor,
Met haar bekoorelyke toonen:
Zy streelt haar 's Minnaars hart en oor,
Die, op zyn toverende snaaren,
De vreugd laat klinken van zyn paaren.
Heer Amourys verliefd verlangen,
Wenscht om de karssen van haar mond,
De roos en lely van haar wangen,
In haares leevens morgenstond,
Zo schoon, zo blinkend opgereezen,
Met zyne lippen af te leezen.
Gy ziet reeds hoe de Huwlyksgoden
De twee Gelieven, alles waard,
Op minneweelde en vreugde nooden,
Waarom zelfs Jupiter op de aard'
Daalt neder in een goude regen,
Tot schoone Danaë genegen.
Terwyl ze elkaar vriend'lyk kussen,
Op maat en klanken, keer op keer,
Om hun verliefde vlam te blusschen,
Zo zuiver, zo volmaakt als teêr;
Moogt gy, ô blyde Bruiloftsreijen!
Hen zingende naar 't Bruidsbed leijen.
Verëend den XIden van Wintermaand, MDCXCV.