Tweede tegenzang.
Neen, de Liefde is nooit verleegen:
Haar gezagh houd eeuwig stand.
Blok ontvliê, door alle wegen,
Vry dien onweêrstaanbren brand,
Zonder zorgen, zonder schroomen,
Nooit verlaatende zyn streek;
Hy zal ze echter niet ontkomen,
Maar ontvonken door een Beek;
Beek, alom geächt, gepreezen;
Klaarder als het kristalyn,
Frisscher als de dauw van wezen,
Schooner als de zonneschyn;
Nooit ontroerd, maar zacht en teder;
Koel, als de aangenaame Mei,
Daar zy alle hoven weder
Siert, op nieuw, met haar livrei.
Och! hy komt ze pas genaaken,
Of gevoelt aanstonds zyn borst
Hevig om haar schoonheid blaaken,
Zuchtende van minnedorst,
Van zo fel een vlam verwonnen.
Hy zoek, voor zyn hygend hart,
Nu by stroomen, beeken, bronnen,
Naar verkwikking in zyn smart;
Niets kan hem verkoeling geeven,
Voor zyn minnehitte en leed,
Noch behoên 't verliefde leeven,
Zonder hoop hem veel te wreed,
Als zyn Beek, zyn zielsverlangen;
Maar die, bloode en schuw van aart,
Hem ontvlied, van vrees bevangen,
Voor een blaakend Blok vervaard.
Vuur en water mogen stryden:
Maar de Liefde, die hem ziet
Dus verteeren in zyn lyden,
Maakt dat hy zyn wensch geniet,
Met haar koelheid te overwinnen,
Die allengs haar aart verzaakt,
Leerende eind'lyk meê beminnen,
Tot haar kille boezem blaakt.
Blok, verkwikt en opgetoogen,
Eert de Liefde en haar vermoogen.