II. Zang.
Wie laat zich niet overwinnen
Van d'ontzagchelyken Held,
Die de harten, die de zinnen,
Door een aangenaam geweld,
Met aantrekkelyke zeelen
Boeit, en grieft met wond op wond,
Best te stooven, en te heelen
Aan een schoonen roozemond,
Kweekende eenen gloed door 't kussen?
Och! geen vloed, geen watersnood,
Kan dat vuur, die vlammen blusschen.
Liefde is sterker als de dood,
Krachtiger als eenig zegel,
Harder als een Diamant;
Voor Natuur de grootste regel,
Haar, voor de eeuwen, ingeplant.
Leeuw, streelt hier meê zyn gedachten,
Zich verbeeldende al het zoet
Dat hy van een Bruid mag wachten,
Blaakende van minnegloed.
Liefde is al zyn welbehaagen,
Daar 't zyn wensch gebeuren mag,
Dat zyn minnezon aan 't daagen
Hem belooft noch schooner dag,
Van een krachtiger vermoogen,
In Christinaas blinkende oogen.