Slotzang.
Yder vlecht nu mirth en palmen
Voor 't verliefde en 't heilryk Paar,
Toegejuicht met zegengalmen;
Bly geleid naar 't echtältaar
Van de schelle Bruiloftsreijen,
Daar zy danssen om de Bruid,
En de vreugd alom verspreijen,
Van geen stroom, noch vloed gestuit.
De Amstel, in zyn kil ontlooken,
Viert zo schoon een bruiloftsgloed,
En meê van die vlam ontstooken,
Treed de lentezon te moet,
Om haar vrolyk in te haalen,
Daar zy, sierende deez' dag
Met de Bruids geboortestraalen,
Vroeger doorschynt als zy plag.
Bruigom, vier uw Bruids verjaaren;
Vier dien dag zo lang verwacht,
Die voor uwe min zal baaren
Noch veel aangenaamer nacht,
Schooner als al 't licht der dagen:
Eeuwig blyv' ze uw welbehaagen.
Verëend den XXVIIIsten van Sprokkelmaand, MDCCVI.