I. Tegenzang.
Kan Heer David, vol van moed,
Ryp van oordeel, ryk van reden,
Vrygebooren, opgevoed
Naar de vaderlyke zeden,
Zich verslaaven? daar hy fier
Uit een Leeuwenstam gesprooten,
Niet misdeeld van edel vier,
Een van Grootvaârs eêlste looten,
Die, op 't deftig deugdenspoor
Treedende, gelyk een vryë,
Voor zyn hartelust verkoor
De onbepaalde Koopvaardyë,
Trouw gekoesterd van zyn Stam,
Hoe ook de oorlogsmonsters schreeuwen;
Daar de Beurs van Amsteldam
Aan van Lennepen en Leeuwen,
Blyven zal zo lang verpligt,
Als haar koopkasteelen bruischen,
Onvermoeid, op 't starrelicht,
Met een trits van zilv're kruissen,
Door het hart van alle zeên,
En, om 't gulde vlies te haalen,
Om en om den Aardkloot heen,
Reizen met de zonnestraalen?
Kan een Leeuw dan, fier van zin,
Zich verslaaven aan de min?