Op de zelfde gedichten.
De Dichtkunst, zo vol kracht en onuitbluschbaar vier,
Kwam van den Hemel op het Aardryk nederdaalen,
Verspreidende overal haar goddelyke straalen;
Maar nimmer met zo schoon en aangenaam een zwier,
Begaafde Pluimer, als in uwe schelle Lier,
Daar gy den zangprys voor alle and're kunt behaalen,
En als een Nederduitsche Apollo zegepraalen,
Versierd, gelyk uw Dicht, met eeuwigen lauwrier.
Hoe groot, hoe heerlyk kunt gy 's Vorsten lof trompetten!
In mengeldicht de wys op Vrede en Oorlog zetten!
In Minne- en Bruiloftstoon elk streeven ver voorby!
De Zangberg staat verbaasd wanneer gy dien laat hooren
Den geest van Vondel en Antonides herbooren,
Op zo volmaakten wys, in uwe Poëzy.