Op de zelfde.
Hoe veel schooner schynt de morgen
Daar myn Rozemond opstaat
Van de pluimpjes, zonder zorgen?
Daar de blyde Dageraad
Leent zyn aangenaame straalen:
Want ik zie zyn aangezicht
Ongewoon en heerlyk praalen
Met myn Rozemondjes licht.
Maar zy schynt het zelf te wezen:
Zou haar goddelyke glans
By de zonne zyn gereezen?
Ja, zy siert des hemels trans
Met zo wonderbaar een luister:
Want de waereld was te kleen,
Al te onwaardig, al te duister,
Voor zo veel bekoorlykheên.
Men verwacht dan goude daagen,
Nu de schoone Rozemond
Is bodin van Febus wagen.
Zy zal op haar beurt en stond,
Aarde en hemel overschynen.
Maar één lonkje zal den nacht
Met zyn nevels doen verdwynen,
Vroeger van haar licht verkracht.
Door haar oog zal elk herleeven;
Door haar aâm de Lentetyd.
Daar haar vlugge voetjes streeven,
Groeit terstond een bloemtapyt:
Hoor, hoe kweelt het Nachtegaaltje!
't Volgt haar braaven zwier en trant,
En bekoorlyk tovertaaltje.
De Echo, die van minne brand,
Roemt uit zucht haar laatste woorden:
De Amstel juigcht, en zingt haar lof
Aan zyn groenbemorste boorden.
Wat heeft hier myn Zangnimf stof,
Om de gaaven meê te roemen
Van zo waarde een Rozemond!
Die de lucht versiert met bloemen,
Daar de frissche Morgenstond
Zwicht voor haar aanminnigheden,
Als zy wil haar plaats bekleeden.