Skip to content
1731

Mengelpoezy. Deel 1

Katharina Lescaille

Op de zelfde.

Hoe veel schooner schynt de morgen Daar myn Rozemond opstaat Van de pluimpjes, zonder zorgen? Daar de blyde Dageraad Leent zyn aangenaame straalen: Want ik zie zyn aangezicht Ongewoon en heerlyk praalen Met myn Rozemondjes licht. Maar zy schynt het zelf te wezen: Zou haar goddelyke glans By de zonne zyn gereezen? Ja, zy siert des hemels trans Met zo wonderbaar een luister: Want de waereld was te kleen, Al te onwaardig, al te duister, Voor zo veel bekoorlykheên. Men verwacht dan goude daagen, Nu de schoone Rozemond Is bodin van Febus wagen. Zy zal op haar beurt en stond,

Aarde en hemel overschynen. Maar één lonkje zal den nacht Met zyn nevels doen verdwynen, Vroeger van haar licht verkracht. Door haar oog zal elk herleeven; Door haar aâm de Lentetyd. Daar haar vlugge voetjes streeven, Groeit terstond een bloemtapyt: Hoor, hoe kweelt het Nachtegaaltje! 't Volgt haar braaven zwier en trant, En bekoorlyk tovertaaltje. De Echo, die van minne brand, Roemt uit zucht haar laatste woorden: De Amstel juigcht, en zingt haar lof Aan zyn groenbemorste boorden. Wat heeft hier myn Zangnimf stof, Om de gaaven meê te roemen Van zo waarde een Rozemond! Die de lucht versiert met bloemen, Daar de frissche Morgenstond Zwicht voor haar aanminnigheden, Als zy wil haar plaats bekleeden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Mengelpoezy. Deel 1 · Katharina Lescaille · Poetry Cove