Anders. Aan de liefde.
O zoete Stoorder van myn slaap, en zachte rust!
O lieve Vyand! die my, al te vroeg voor 't draagen,
Zo onmeêdoogende bestryd met minlyk plaagen,
Eer Venus aan 't gestarnt' haar Mars ontvonkt met lust.
Waar 't niet genoeg dat gy u vlammen had geblust
Aan myne kuische borst? en daar uit weggedraagen
Myn hart, wanneer uw oog het myne kon behaagen,
En my verrukt had als uw mond my had gekust?
't Schynt neen: De Liefde brengt uw Beeld in myn gedachten,
Daar gy, tot and'rer spyt, geduurig komt vernachten,
En maakt u dichte by, hoe ver ge van my zweeft.
Helaas! wat doe ik dan om slaap en rust te raapen?
Doch zyn die nooit op aard voor't minnend oog geschaapen,
Zo heb ik in de min, hoe kort, te lang geleeft.