Anders.
Terwyl myn hart is daar het mint, en niet daar 't leeft,
Gaan myn gedachten daar gestadig heenen waaren.
Myn ziel, van minnesmart vermoeid, kan niet bedaaren
Van diepe zuchten, schoon my de adem schier begeeft:
Om dat het voorwerp van haar liefde van haar zweeft,
Kan nooit een vreugdezon, haar droefheid op doen klaaren.
Zy wil (ach kon ze slechts!) de liefde laaten vaaren:
Maar neen, zy kwynt; wyl zy vergeefs haar kracht weêrstreeft.
Al wat my lieflyk was staat my nu gruwzaam tegen.
Apol en al de Rei der Dichteren zyn verleegen:
Zy zien me, uit oude min, met medelyden aan;
En Pallas vloekt het uur, dat Venus hielp aan 't branden
Het hart haar toegewyd, en prangde in minnebanden,
Daar 't treurt, en smelt, ja haast tot assche zal vergaan.