Skip to content
1731

Mengelpoezy. Deel 1

Katharina Lescaille

Anders.

Terwyl myn hart is daar het mint, en niet daar 't leeft, Gaan myn gedachten daar gestadig heenen waaren. Myn ziel, van minnesmart vermoeid, kan niet bedaaren Van diepe zuchten, schoon my de adem schier begeeft:

Om dat het voorwerp van haar liefde van haar zweeft, Kan nooit een vreugdezon, haar droefheid op doen klaaren. Zy wil (ach kon ze slechts!) de liefde laaten vaaren: Maar neen, zy kwynt; wyl zy vergeefs haar kracht weêrstreeft.

Al wat my lieflyk was staat my nu gruwzaam tegen. Apol en al de Rei der Dichteren zyn verleegen: Zy zien me, uit oude min, met medelyden aan;

En Pallas vloekt het uur, dat Venus hielp aan 't branden Het hart haar toegewyd, en prangde in minnebanden, Daar 't treurt, en smelt, ja haast tot assche zal vergaan.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Mengelpoezy. Deel 1 · Katharina Lescaille · Poetry Cove