Doorlugte digteresse.
Myn Zangeres, door druk en hartenleet verslaagen,
Verzelt, met lykcypres omringd, de zwarte ry,
Waar in het lighaam van des Amstels Poëzy
Een zégentéken strekt, aan 's noodlots zégewaagen.
Zy hoort een Zuster, uyt een tédre liefde, klaagen,
Die haar, gelyk zich zelve, opregtelyk bemint:
Zy zïet een waarde Nigt, die zy, gelyk haar kind,
Zo heus gekoestert heeft, betraande wangen draagen.
Zy hoort de Digtkunst, door Kathrina's dood ontroerd,
Het Y, en de Amstel, door dat groot verlies vervoerd,
Elk beurt om beurt haar deugd en groote gaaven uyten.
Wat wederhoud haar dan, dat zy zo lang vertoeft?
Of is zy om 't verlies van haar vrindin bedroefd?
Die droefheyd kan, of zal haar drift niet langer stuyten.