Aan de zelfde juffer; met myn treurspel Wenceslaus.
Zo ge u gewaardigt om te ontfangen van myn hand
Den Poolschen Vorst, van my in Neêrduitsch dicht geschreeven,
Word hy op dit geluk op nieuw ten troon verheven
Beschaduwd zynde van uw vriendschap en verstand.
My dunkt, 'k zie reeds zyn lof tot aan de wolken ryzen,
Myn zangnimf blaaken in een eed'le hovaardy,
Daar gy de kunst zet een volmaakten luister by,
En ik genoopt word om uw gaaven steeds te pryzen.
Ik eer dan, kennende al uw waarde, en mynen pligt,
Uw deugd, uw heusheid, geest en glans, in myn gedicht.