VI.
Hier leit Kathryne, d' eer van Phebus gunstelingen,
Wiens grootsche Dichtstyl, niet gemeen by vrouw of maagd,
Zelf met Melpomene na d'Eerkroon scheen te dingen:
Van elk, wie kunst waardeerd, te vrugteloos beklaagd,
Dewyl haar vlugge geest van 't sterflyke is ontheven,
Om in volmaaktheid Gode oneindig lof te geven.
Barths. van Oudega.