Wellekomst van de zelfde juffrouw.
Welkom, welkom wyze Maagd,
Daar onze Ystroom moed op draagt.
Welkom binnen Amstels wallen,
Met een tal van lofgeschallen,
En een klank van vreugdgeluid;
Zoet geschaterd om uw schuit,
Van al de Ygoôn en Godinnen,
Blaakende om uw hart te winnen,
Als verliefd op uwe kunst;
Hoog waardeerende uwe gunst,
Door de schoonheid van uw zangen
In het minnenet gevangen,
En het onwaardeerlyk licht
Heerlyk straalende uit uw Dicht,
Daar elk letter is een lonkje,
Yder woord een liefdevonkje,
Net gevormd met zulk een zwier
Die het vonkje maakt tot vier,
En de regels tovertaaltjes,
Scheller als het Nachtegaaltjes
Kleine keeltjes, groot van stem.
Godenhartjes, schoon in klem,
En in prang van liefdebanden,
Zyn vervrolykt om het landen,
En de weêrkomst van hun Veer:
Dies zy u met waardige eer
Als het hoofd der Dichteressen
En den roem der Zanggodessen,
Weder leiden naar den zoom
Van hun wydbefaamden stroom;
Daar zy u op nieuw begroeten,
Wyl zy uw Parnas ontmoeten.
De Ygod op zyn zilv're vloer,
En zyn troon van paarlemoer,
Vol van Majesteit gezeeten,
Komt u noch eens welkom heeten,
Met al de and're Watergoôn
En Godinnen op één toon,
Met myn Zangster, die haar veder
Let voor Veer eerbiedig neder.
MDCLXXIV. 7/17