nae de wijse: Ons Coninck van den drooghen, etc. [D]En Somer in saysoene Ons comende seer naer,mat.24,32 [Sien] wy met vreuchden coenemarc.13.18 [Den] Vijgheboom vruchtbaerLuc.21.27 [Alsdan] uytschieten groene [Spru]yten en bladers: maer [Broe]ders in desen doene [Neem]t dees parabel waer:
Christus ons Middelaer, Het groen hout vol virtuyt 2.Tim.2,5Sal met Basuynen claer Heb.12.24D'Enghelen seynden uyt: Luc.23,30Dan sal t'gheluyt Volcomen wesen vry Tot die Cantijcke Bruyt, Den Winter is voorby. Den Mey-tijdt is voorhanden, Cant.2,10Blommen en voghel-sanck, Cant2.12In ons nieuwe Landen, Is duysent Iaer onlanck, Psal.90,4Vriendinne wilt opstanden, 2.Pet.3,8.Neemt tot mywaerts den ganck, Cant.2,13Maer blijft daer, mijn vyanden Psal.110,1Tot mijner voeten banck. Luc.20,43Och wat een troost ontfanck Mal.4,2.Sal haer gheschieden soet, Mat.24,34.Al die nae s' Heeren danck Hebben ghearbeydt vroet: Want sy die goet Alhier hebben ghedaen, Sullen met vreuchden vloet Ioan.5.29Tot den leuen opstaen. Dat werdt om haer verfraeyen Den Somer-oogst seer schoon, Psa.126,5Die hier in tranen zaeyen, Gal.6,8.Sullen dan haren loon Sonder ophouden maeyen Eeuwighe vrucht ydoon,
[Als] de Sonne met raeyen,Dan.13.13 [Sal] blincken elck persoon,mat.13,43. [Da]er in haers Vaders troon,1.cor.15,42 [We]rdt haer ghegheuen fijnPhil.3.21. [Ee]n schoon bloeyende croon2.Tim.4.8 [Ve]rgaend' in gheen termijn,1.Pet.5.4. [De]n nieuwen wijnmar.14.25 [En] alle vruchten daer,Esai.1.10 [T']sal al ten besten zijn [M]ilde gheschoncken haer.Pro.12.11. Die haren Acker bouwen,Syr.20.30 [Di]e crijghen vlucht planteyt, [Br]oeders die Godt betrouwen,Pro.11.18. [Za]eyt nu gherechticheytOse.10.12 [So]nder eenich verflouwen,Iere.4.4. [We]et dat uwen arbeytGal.6.10 [V] niet en sal berouwen, [D]en loon is u bereyt, [Al] wat ghy hebt verleytLuc.10.35. [W]erdt u vergolden vanRom.3.4. [D]ie dat heeft toeseyt,Ioan.3.33 [En] niet lieghen en canTit.1.2. [W]eest Broeders danHebr.6.18. [V]erduldich, niet en sucht, [M]aer als den AckermanIacob,5.7 [Ve]rwacht de dierbaer vrucht.Prov.6.6. Die van't coude vertsaghenProv.13.4 [So]nder ploeghen subijt,Pro.20,4. [Su]llen noch wel beclaghen [Ha]er traecheyt ter ontijt,
In de schoon somer-daghen, Als ander met jolijt Iere.4,4.Haer schoouen t'samen draghen Ose.10,12.Sullen sonder profijt Gal.6,10.Bedelen hier int crijt: Dus Broeders, op den Gheest Iob.6.16.Te zaeyen neerstich zijt, Acht gheen vervolgh tempeest, Want die vreest Voor den rijm schromen al, Act.20,32.Die sneeu noch aldermeest 2.Cor.1,4.Haer ouervallen sal. Rom.12,4Bevolen blijft den Heere, Die trooste in verdriet Eph.4,14Alle sijn leden teere, Colos.2,8.Die doen nae sijn ghebiet, Schout alle valsche leere, Eccl.11,4.Broeders, want hy doch niet Mat.11,7En zaeyt, te gheenen keere mat.10,22Die op den windt acht yet, Apoc.2,10En die op wolcken siet, En maeyt oock niet ter noot: Dus en wijckt niet als riet, Esai.1,19.Maer volherdt tot der doot, Luce,6.38Dat ghy seer groot Des landts goeden met vreucht, Naemaels in uwen schoot Eeuwich ghenieten meucht. Een is noodich.
Cookies on Poetry Cove