[Op] de wijse: Laet ons louen met jolijt, Christum ghebenedijt. [D]E Hooftsomme des ghebodts,1.Tim.1,5 Dat is de liefde GodsRom.13,9 [Die] men aen sijnen euenGal.5,14. [Nae]sten, beleuen moet,matt.22,38 [Wt] een reyn herte goet,Act.15,9. [En] een recht gheloofs aencleuen, [Vye]rich ghedreuen. Wie hier sijnen Broeder niet [Lief] en heeft, dien hy siet,1.Ioan.3,20. [Hoe] soud' hy met hert' oft sinnen [God]t lief ghehebben dan, [Die] hy niet sien en can? [Den] Broeder moet men binnenLeu.19,19 [God]t oock beminnen.mat.32,38 [N]och tuyght Ioannes bloot1.Ioan.3,14. [Dat] hy blijft in de doot [Die] sijnen Broeder grondich [Nie]t lief en heeft, ende wie [Sij]nen Broeder haet, dieMat.5.28 [Is] voor Godt een fel wondich,Ioan.3,15 [Do]otslagher zondich. Christus heeft der liefden aertjoan.15,3 [T'o]nswaert gheopenbaert,Ephes.5,2 [Sij]n leuen voor ons ghelaten,1.joan.3.16 [Wy] moeten laten dat
Leuen, als dieren schat, mat.5,44.Den Broederen te baten, rom.12.18En niemandt haten. Maer wanneer een rijcke vreck, Deut.15,7Siet sijns broeders ghebreck, Luce,3.11.Ende gaet van binnen sluyten Iac.2,15.Sijn herte voor hem toe, 1.joan.3.17Och de liefde Gods, och hoe Can die daer met virtuyten Bloeyen oft spruyten? Mijn kinderkens, luydt den brief, 1.joan.3.18En laet ons niet hebben lief Met den woorden, oft met der tonghen, Maer met der daet, en met Der waerheyt, tot dees Wet Der liefden, elck ghedronghen, Zy onbedwonghen. Col.3,14.Der volcomenheyts bant, joan.13.34Dat is de liefde, want mat.22,38De Wet en de Propheten 1.Ioan.4,8Daer in begrepen zijn, God is de liefde fijn Van Godt sy niet en weten, Die haer vergheten. Mich.6,8Dus broeders laet ons snel 1.Pet.4,8In der liefden beuel Gal.6,12.Wesen tot allen tijde, Dat van ons zy ghehoort Des Heeren soete woort, mat.25,34Comt in mijn Rijcke blijde // Ghebenedijde
Cookies on Poetry Cove