Op de wijse: Sal ick om een Vrouwe, langh' in rouwe zijn? etc. AL die in s'doodts schadu logieren,Mat.4,16 In aller manieren merckt u onverstant,Luc.1,79 V, als onvernuftighe dieren2.pet.2,12 Te laten schoffieren, door der wijuen hant,Pro.7,22. Want, die vreemde vrouwe, vol ontrouwe // grootPro.5,13. Brenght u ter doot,Pro.6,24. Al ghevoeldijs nouwe // en zijt van rouwe // blootPro.7,26. In sulcken noot.Pro.9,18. Bemint ghy t'leuen bouen't steruen,Psal.34,13 En wilt ghy beeruen, voor droefheyt jolijt,1.Pet.3,10 Wt Babel scheydt, sy moet in scheruenEsai.52,11 Morselen, bederuen, binnen corten tijt,Psal.2,9. Zijt ghy om de wonden // uwer zonden // felEsa.30,14 In groot ghequel,mat.11,28 Om te zijn verbonden // weest bevonden // snelSyr.5,8. En niet rebel.Ioel,2,12. Zijt ghy dorstich, comt ter Fonteyne,Esai.55,1. Tot de stede reyne, die men Zion noemt,Ioan.7.37 Daer wijn en melck is, elck ghemeyne,Apo.22,17 [H]oe arm ende cleyne, u doch niet en schroemtEsai.61,1. Komt, en ghy sult wesen // al genesen // vlietIere.33,6. Wt dat verdriet,
Osee,6,6.Christus een gepresen // Meester desen // siet Mat.9,12Heelt al om niet. Mar.2.17Die vreucht beminnen, schiet hier u gangen, 1.Cor.14,1Neerstich met verstrangen, in de liefd' eerbaer Colos.3,14Ghy werter blijd' en minnelijck ontfangen, Ioan 6,37Want met groot verlangen staet den bruydegom daer Apoc.3,20Maer sou met u groeten, eerst so moeten, dijn Ioan.13,8Lidtmaten fijn, Mat.9,17Hooft, handen en voeten, in den soeten, wijn marc.2,22Ghereynicht zijn. Luc.5,37.Comt ghy beladen, benaut van gheeste, Matt.11,28Tot de Bruyloft feeste, van het Lammeken vry En smaect de blijschap ten rechten keeste Esai.25,6.Daer al s'werelts meeste, vreucht is droefheyt by Apoc.17,6ghy en hebt u leuen, noyt beseuen vreucht 1.Pet.1,8.Die soo verheucht, Ios.14,11.T'Lammeken verheuen, sal u geuen, jeucht, Esa.40,30En cracht ter deucht. Hier en is spel van trommels noch velen, Ydel sanck met kelen, noch lachens ghetier, Esai.55,2.Maer vrolijcke zielen die sonder quelen, Esa.58,11.Danssen, singhen, spelen, in blijde cier, Esa.61,10Hier is vreucht inwendich, die onendich, deurt Troost men hier speurt, O ghy Menschen blendich, die ellendich treurt, Hier toe labeurt. Esai.25,9.O Princelijck Bruylofs ghesinne, mat.22,2.Gheestelijck vol minne, vredelijck beclijft, Ps.118,22Dat u den Satan niet en ouerwinne, Esa.18,16Die van aenbeginne, sijn listen bedrijft,
Blijft sonder verflouwen // wel behouwen, reenLuc.20,17. Op den hoecksteen, Anders in u bouwen // wilt betrouwen, geen.Luc.10,41. Noodich is een.
Cookies on Poetry Cove